De Gracieuse 1862 | Seite 219

ALIX. 211

kunt ge mij niet binnenlaten!” Een geknor liet zich hooren. Dit was te veel voor de arme wees, die woning haar eertijds zoo lief, zoo vol leven, die al wat haar dierbaar was in zich be- vatte, die woning was nu leeg, gesloten, zielloos, dood voor haar, zij gevoelde het, het hart brak haar, niets restte haar dan ook te sterven; zij kon niet meer, nog eens liet zij den klop- per vallen, en toen viel zij voor de tweede maal voor die woning bewusteloos neder. Het gejank van Blanche weerklonk akelig in de eenzaamheid van die plaats.

Een rijtuig naderde en hield op. Eene jonge, schoone vrouw trad er uit, blijkbaar met het doel om de ruïnen van het Pa- leis van GALLIUS, dat hier digtbij lag te bezigtigen. Het ge- jank van den hond stoorde haar in hare overpeinzingen, zij wist toch dat dit dier zulks nooit doet zonder oorzaak; zij zocht en vond weldra de uitgestrekte, zwarte gedaante van ALIX door het maanlicht beschenen.

“La JEUNESSE help mij,” riep zij tot haren lakei, terwijl zij trachtte het meisje op te rigten. Toen alle pogingen vruchteloos waren om haar bij te brengen, riep zij meer van haar gevolg, en gebood hun de onbekende in het rijtuig te brengen, daar alle herhaalde moeite om in die woning gehoor te krijgen, ver-geefs was.

“La JEUNESSE blijf gij hier de wacht houden,” dus beval zij, de kleeding, de schoonheid en de jeugd van dit meisje doen mij veronderstellen dat er wel onderzoek naar haar gedaan zal wor-den. Zeg hun dan dat mevrouw COLBERT, de echtgenoot van den minister des Konings haar hier gevonden en medegenomen heeft naar het paleis de l’Ombrière dat het parlement haar tot haar verblijf in Bordeaux gegeven heeft.” Na dit gezegd te heb-ben, steeg zij weder in het rijtuig naast de steeds bewustelooze Alix, en vier vurige paarden voerden haar weldra uit het gezigt.

HET LEED VAN EEN MINISTER ONDER LODEWIJK XIV

JEAN BATISTE COLBERT, secretaris van staat, minister van Financiën onder LODEWIJK XIV, was geboren te Reims den 25sten Augustus 1619; in 1651 huwde hij met MARIE, dochter van JACQUES CHARRONS, heer van Menars, groot baljuw van