De Gracieuse 1862 | Seite 218

210 ALIX.

lies eerst besefte, zij viel onmagtig in de armen van den no- taris. Met groote krachtinspanning bragt deze haar naar zijne woning, terugkeeren in de juist verlatene was niet mogelijk; de teedere zorgen van zijne vrouw en zijne beide dochters her-gaven haar weldra het bewustzijn.

HET BEZOEK.

Wie heeft niet vóór het voor immer verlaten der ouderlijke woning elk plekje, elke kamer bezocht en haar vaarwel gezegd: een laatsten blik geworpen op elk meubel, op elk schilderstuk aan den wand, alles, alles nog eens bezien, want alles heeft eene herinnering in zich. Deze kamer was het slaapvertrek der ouders, hier stond ook eens het kleine bedje, waar zij sliep toen zij nog een kind was, bij dien stoel daar ginds heeft zij haar avondgebedje gezegd, geknield aan de schoot der moeder of grootmoeder; hier . . . . maar waartoe meer? ALIX had geen laatst vaarwel kunnen brengen aan al die dierbare voorwerpen, stomme getuigen van haar geluk. Geen wonder dat de wensch in haar oprees nog eens die woning te bezoeken; zij wist toch dat de erfgenamen de stad verlaten hadden en meende dat zij er wel eene huisbewaarster in zouden geplaatst hebben. Zij uitte dien wensch aan mevrouw CASTÉJA, doch deze trouwe moeder, zuinige huisvrouw, goede gade, kon zich geen denk-beeld vormen van zulk een wensch. Geluk bestond bij haar in afzijn van leed; de heer DE MAURIAC was nu al eene maand dood, dus veel te lang om daar nog over te treuren. Men kan dus gemakkelijk begrijpen welk onthaal de uiting van dezen wensch bij haar vond, te meer daar ALIX wenschte dat mevrouw haar vergezelde. Zij drong er echter niet op aan, maar toen zij bemerkte dat mevrouw geheel verdiept was in het herstellen van kousen, stond zij zachtkens op en verliet het huis! Eene prachtige heldere maan bescheen liefelijk den tuin dien zij door-liep om tot de welbekende woning te komen. Het hart bonsde hoorbaar toen zij den klopper liet vallen, doch – geen deur werd geopend. Het antwoord dat zij ontving was het blaffen van den haar dierbaren hond, maar het arme dier vermogt niets, het was opgesloten! “Blanche, blanche, zijt gij er alleen en