ALIX. 209
“Mij aangeven, mijnheer de markies,” riep ALIX met ver-achting, “wat wilt gij?”
“Onze regten, de vernietiging van het testament,” eischten allen.
“Uwe regten,” terwijl zij bitter lachte, “gij hebt er geene, of beter gezegd gij hebt alleen die, die ik u wil toekennen . . . De vernietiging van het testament, het is goed; geef mijn vriend” terwijl zij het testament uit de hand van den heer CASTÉJA nam en het wilde verscheuren.
“Kind wat doet gij,” riep de notaris uit, terwijl hij hare handen greep.
“Mijn pligt, goede vriend,” en zij trachtte zich los te rukken.
“Zoo onteert gij de nagedachtenis van uwen oom, van uwen vader,” en de heer CASTÉJA hield haar steeds vast.
“Neen, ik herstel zijne eer,” zeide ALIX met forsche stem. “Zij hebben gelijk,” en zij wees op de verstomde erfgenamen die hunne ooren niet konden gelooven; “zij zouden erven in- dien de heer DE MAURIAC de dochter zijner nicht niet zoo innig had liefgehad, helaas de vriendschap heeft hare listen zoowel als de geldzucht. Deze vrouw, die ik niet ken, die ik heden voor het eerst zie, durft mij spreken van berekeningen, ik, ik berekenen . . . . Zie hier mevrouw, hoe ik bereken,” vervolgde ALIX, terwijl zij zich met kracht loswrong uit de hand van den notaris en het testament in duizend stukken scheurde – “daar erft, verdeelt het vermogen van den man die het eerlijk verworven heeft in het zweet van zijn aanschijn, daar neemt . . . Arm ben ik in dit huis gekomen, arm zal ik er uitgaan. Kom mijn vriend, kom,” en zich een steun zoekende op den arm van den notaris vond zij in hare opgewondenheid kracht om zich te verwijderen. “O oom lief, vergeef uw kind de on-gehoorzaamheid aan uwen wil, maar leefdet gij, gij zoudt mijne handelwijze goedkeuren.”
“Arm kind, wat hebt gij gedaan en wat blijft u nu over,” zoo vroeg haar de heer CASTÉJA, het antwoord klonk: “God!” en te gelijkertijd overschreed zij den drempel. Maar nu verlie- ten haar ook hare krachten, het was als of zij bij het treden op de straatsteenen, den geheelen omvang van het geleden ver-