De Gracieuse 1862 | Page 216

208 ALIX.

dankbaar oogenblik te hebben waargenomen, waarin gij hem tot deze voor u zoo voordelige beschikkingen zoudt hebben gedwongen.”

“Ja, zoo is het, zoo is het,” riepen al de erfgenamen bij die verklaring van den notaris, terwijl ALIX bij elk woord haar hoofd vol waardigheid en beleedigde onschuld ophief.

“Mij, mij beschuldigt men van zoo iets,” riep zij met ge- smoorde stem uit. Maar zich herstellende vroeg zij: “mijn vriend, mogt oom dan met zijn vermogen niet doen zoo als hij goed vond.”

“Hij had er het regt toe en hij handelde regtvaardig. Al die broeders, zusters, neven en nichten die nu op zijne erfenis azen, hebben in zijn leven niet naar hem omgezien, of zijn niet gekomen om hem te verzorgen en op te passen in zijne ziekte. Zij hebben niets voor hem gedaan, terwijl gij uwe jeugd, uwe genoegens, uwe rust voor hem opgeofferd hebt.”

“Dat beduidt ook wat,” grijnsde de gravin, “als men eene erfenis in het oog heeft, kan men zich ligtelijk dat offer ge-troosten.” Op deze onbarmhartige beschimping, die door hare mogelijkheid des te grievender was, wierp ALIX haar een ver-achtelijken smartelijken blik toe, antwoordde haar echter niets, maar rigtte zich tot den notaris met de vraag: “Zou ik, als dit testament niet bestond, geen erfgenaam zijn zoo als zij?”

“Hoe naïf! zij plaatst zich waarlijk op gelijke lijn met ons, wij familie in de regte linie, en zij slechts eene nicht à la mode de Bretagne.”

“Is het waarheid wat zij zeggen,” vroeg ALIX alweder aan den notaris.

“Zeer waar,” zeide de heer CASTÉJA, die zich over al die vra-gen begon te verontrusten zonder nog de gevolgen te doorzien, “doch dit verhindert niet dat dit testament goed, echt en vooral zeer regtvaardig is.”

“Regtvaardig, dat zullen wij zien,” hernam de markies, “in-tusschen ga ik als broeder van den overledene en dus regte erfgenaam de verzegeling bevelen, en eene acte van beschuldi-ging inbrengen tegen Mejufvrouw, van gepleegde list in zake van dit testament.”