ALIX. 205
groot vel beschreven papier, en terwijl hij het aan ieder der aanwezigen ter bezigtiging toereikte, zeide hij: “gij kent waar-schijnlijk allen het schrift van den Heer ANTOINE DE MAURIAC dit is geschreven, geteekend en gedateerd door den testateur zelf, men noemt dit een olographisch testament. Ieder zag en boog zich koel. ALIX alleen barstte op het zien van het wel-bekende schrift, in tranen uit.
De Heer CASTÉJA zag haar met een medelijdenden en ver-troostenden blik aan, en begon zijne lektuur:
“Zie hier mijn uiterste wil. Ik ben het jongste kind uit een rijk en aanzienlijk gezin, en dien ten gevolge veroordeeld tot veel lijden en gebrek, hetgeen mij dan ook bij het overlijden mijns vaders te beurt viel. Mijn broeder de markies erfde al zijn goed en zijne titels; mijn tweede broeder, de graaf, ging in dienst en sneuvelde; mijne twee zusters deden rijke huwelij-ken. Na geeindigde studiën stond mijn oudste broeder mij twaalf honderd livres renten toe, en de anderen stelden hunne wonin- gen en tafel voor mij open.
“Maar,” hier viel hem de markies in de reden, “vergeef mij mijnheer CASTÉJA, dat is geen testament, maar eene biographie.”
Tot antwoord liet de heer CASTÉJA hem de keerzijde van het papier zijn, waarop geschreven stond: om na mijnen dood ge-lezen te worden.
Hij vervolgde: “Dit ging drie maanden goed; in dien tijd had ik mijn geheele inkomen verteerd, ik bezat geen stuiver meer, en mijn broeder verklaarde niets meer voor mij te kunnen doen om zijner kinderen wil. Bij de andere leden mijner familie klopte ik op zekeren dag te vergeefs aan, de een was op reis, een an- der was uit dineren, ik had het schraal dien dag, anders ge- zegd: ik vastte. . . . Toen overdacht ik dat de mode die den edelen een werkkring verbeidt een dwaas gebruik is, ik verzocht mijnen broeder om het kapitaal van de renten, hij gaf het mij, en dadelijk knoopte ik betrekkingen aan met een handelshuis. . . . Veel beweging, veel opschudding in onze familie. Een der DE MAURIAC koopman! Alle deuren waren toen voor mij gesloten. Het smartte mij bitter, dit beken ik, doch de tijd heeft dit leed uitgewischt. Ik ben geëindigd met aan mijne familie te den-