204 ALIX.
“Zijn vermogen, lieve meid, zijn vermogen.”
“Zijn vermogen verworven in den handel – in den handel die de familie DE MAURIAC oneer aandeed, ik heb u zeker niet goed begrepen, heer markies” en zoo sprekende legde ALIX op elk woord een bijzonderen nadruk.
“Nu ze is zoo onnoozel niet als zij wel gelijkt, de kleine,” hervatte de markies, terwijl hij onder onbescheidenheid de on-aangename gewaarwording zocht te verbergen die ALIX woorden bij hem opwekten; “maar wij zijn hier niet, om te twisten over de wijze waarop mijn broeder zijn vermogen verkregen heeft, maar wel om dat vermogen zelf. Heeft mijn broeder een testa-ment gemaakt,” vroeg hij na een oogenblik van nadenken en zelfs van onrust.
“Ja markies,” antwoordde ALIX zonder een oogenblik te aarzelen.
“Zoo. . . . . ja. . . . . en Mejufvrouw kent zeker den inhoud” voegde de gravin op bitteren toon haar toe.
“Dien zult gij hooren zoowel als ik en tegelijkertijd,” ALIX zag iemand naderen door den tuin en dit gezigt hergaf haar al haren moed.
HET TESTAMENT.
De nieuw aangekomene was een man van zestig jaar, met een kalm nadenkend voorkomen, geheel vervuld van de aan-doenlijke en ernstige taak die hij te vervullen had. Hij scheen niets verwonderd zoo vele menschen te vinden in dat anders zoo stille vertrek. Het eerst en het eerbiedigst boog hij zich voor Mej. D’ALENÇON, rigtte eenen algemeenen groet aan het overige gezelschap, nam een papier uit den zak en zeide:
“Behaagt het u Mejufvrouw, en u heeren en dames, de lezing van het testament van mijnen vriend ANTOINE DE MAU- RIAC aan te hooren?”
“Vergun mij u te vragen Mijnheer,” zeide de markies, “in welke hoedanigheid gij bezitter van dit testament zijt?”
“Als Notaris, heer markies, ik heet CASTÉJA.”
“Het is goed, wij luisteren.”
Allen namen plaats, zoo ook de notaris; hierop nam hij een