ALIX. 203
“In dat geval,” zoo lieten eenige jonge menschen zich hooren die tot dusver uit eerbied voor den oudsten DE MAURIAC ge-zwegen hadden, in dat geval zijn wij allen erfgenamen, en zijn juist tijdig gekomen om de verzegeling te doen plaats hebben.”
ALIX wist niet wat zij denken moest van al dat gedruisch en van al die verwarde stemmen; vragend ging haar blik van den een tot den ander, en eindelijk zeide zij: “maar wie zijt gij? Ik ken u niet.”
“Men zal zich bekend maken lieve kleine,” voegde de oudste der DE MAURIAC’S haar op gemeenzamen toon toe. “Men heeft zijne titels, zijne regten, wees gerust; maar gij, gij hier gevestigd onder welken titel? . . . . met welk regt?” – Deze toon ver- vulde het jonge meisje met verontwaardiging; terwijl zij zich in hare volle lengte verhief en de vergadering met waardigheid aanzag, sprak zij: “Ben ik niet de dochter van de eigen nicht van den Hr. DE MAURIAC, ben ik dan niet zijn aangenomen kind, zijne nièce?”
“Zijne nièce à la mode de Bretagne mijne waarde,” hernam de zuster, en in deze kwaliteit zoudt ge erfgenaam zijn zoo wij allen niet in leven waren. Ha, ha, wij komen juist in tijds, vrienden! de kleine dacht dat zij thuis was, en misschien had zij wel plan ons de deur te wijzen.”
“Maar ik ken u niet,” herhaalde ALIX buiten zich zelve van schrik.
“Maar sprak BENJAMIN dan nooit van zijnen oudsten broe- der, de markies DE MAURIAC?”
“Noch van zijne zuster de gravin DE SOUSSYGNAN.”
“Noch van zijne neven, noch van zijne nichten, kinderen van zijnen jongsten broeder of zijne zuster.” En allen riepen als uit eenen mond: “Hoe vreemd, hoe zonderling!”
“Het is waar,” zeide de markies terwijl hij door stem en houding stilte gebood, “het is waar de BENJAMIN onzen naam oneer heeft aangedaan door zich in den handel te begeven, niemand van de familie DE MAURIAC wilde hem meer zien, niemand ontving hem, niemand kwam tot hem. . . . .”
“En wat komt gij hem dan heden vragen?” zeide ALIX terwijl zij hare grooten blaauwe oogen vol koude minachting op hem vestigde.