202 ALIX.
Hare woning, een lief wit huis, was even buiten de stad gele- gen. Zij traden een mooijen tuin door, waar de prachtigste bloe-men die het saisoen opleverden, heerlijk bloeiden, en juist wilde ALIX de deur met den huissleutel openen, toen een jongen van omstreeks vijftien jaren, op wiens ophartig ruw gelaat men verbazing en ontsteltenis las, haar te gemoet ijlde met de woord-den: “och Jufvrouw, jufvrouw!” terwijl hij de handen ten he- mel hief.
“Nu wat is er CADUKE?” vroeg ALIX onverschillig voor alles wat geene betrekking op hare droefheid had.
“Het huis is vol menschen, heeren, dames, kinderen, de een zegt dat zij de zuster, de ander dat hij de broeder is, en dan vertellen zij weêr dat zij zijne neven en nichten zijn. Mijnheer die ons bij zijn leven altijd zeide dat gij zijne eenige bloedver-wante waart, zou raar opzien nu er bij zijnen dood zoo vele komen opdagen. Er zijn er in de kelder, op den zolder, in de keuken overal, het huis is er vol van.”
“Och hemel,” zeide ALIX, terwijl zij zich voortspoedde naar de vestibule, waar zij werkelijk vele onbekenden zag.
“Zeker Mejufvrouw D’ALENÇON,” met dit woord naderden die vreemden het nichtje van den Hr. DE MAURIAC. ALIX boog koel en viel uitgeput op eene sofa neder: al die menschen ver-schrikten haar.
DE ERFGENAMEN.
“Mejufvrouw,” dit woord werd op harden toon geuit door een oud man, een oud gediende, wiens trekken, uiterlijk en ma- nieren aan den overleden heer DE MAURIAC herinnerden; op zachten toon liet hij er op volgen, nadat ALIX een droeven kalmen blik die eerbied inboezemde op hem geslagen had, “Me-jufvrouw, ik ben de oudste der DE MAURIAC’S, en dien ten ge- volge hier de eerst.”
“Wacht wat, heer broeder,” dus viel eene scherpe stem hem in de reden, “ik ben de zuster van den afgestorvene, en heb dus evenveel regten als gij.”
“Mevrouw, mijne zuster, het regt van eerstgeboorte. . . . .”
“Heeft niets te maken bij eene erfenis, heer broeder.”