A L I X.
DE ERFGENAME.
Op den 20sten Augustus 1665 verdrong zich eene groote schare in de kerk Saint Seurin de Bordeaux. Er werd eene lijkdienst gevierd. De overledene, de jongste zoon van een aanzienlijk ge-slacht, was de Heer DE MAURIAC; hij had zich in den handel een groot vermogen verworven. Hij liet een nichtje na, (eene nièce) van wie de wereld zeide dat zij zijne erfgename was; dit was echter niets meer dan eene gissing daar MEJ. D’ALENÇON de opening van het testament verboden had zoo lang het stof-felijk overschot van haren oom nog in huis was, van den man die gedurende vele jaren haar tot een vader geweest was. Geheel strijdig met alle gebruiken had zij de lijkstatie naar de kerk gevolgd, waar zij door hare schoonheid, door het rouwgewaad nog zoozeer verhoogd, en door hare grenzenlooze droefheid aller aandacht trok.
Toen de dienst geeindigd was en men de kist wegdroeg, volgde zij deze met hare donkere blikken zoo lang zij er slechts iets van zien kon en slaakte toen eenen doordringenden scher- pen kreet van nameloos wee die weerklank vond in veler hart. Doch het verstand hernam zijne regten. Zij trok de kap over haar gelaat en bleef nog eenen geruimen tijd biddende tot dat de menigte het kerkgebouw verlaten had. Eene vrouw wier kleeding en woorden eene oude getrouwe dienstmaagd verrieden, vergezelde haar en wekte haar uit hare mijmering door te zeg-gen: “kom mejufvrouw, wij moeten huiswaarts keeren; het is het etensuur, en de twee die te huis zijn, denken om niets, het zijn zieltjes zonder zorg. O als ik er niet ben, gaat alles slecht.”
“Och, mijne goede BILATONNE, wat doet dit er toe, wat komt het er nu meer op aan,” zoo sprak het jonge meisje, terwijl eene diepe zucht de innige smart verried die hare ge- heele ziel vervulde. Zij stond toen op, en geleund op den arm van de getrouwe dienstmaagd verlieten zij te zamen de kerk.