CONSTANCE CHORLEY. 197
zijzelve. Dit was de eenige zaak die haar verstand niet kon be-vatten; en mogt het al somtijds haar voorkomen dat REBECCA veranderd was, dat menig jaar sedert hare geboorte was voor-bijgegaan, toch kon zij nooit zien op dat gelaat wat anderen er zagen, want de herinnering kleurde immer de ingevallen wangen met den blos van weleer, gaf zachtheid aan de smalle, zaamgeknepen lippen en spreidde over het grijze haar den ouden glans, die schoone mengeling van schaduw en licht. En zoo waakte zij steeds over hare bloem met naijverige zorg en nie-mand herinnerde haar dat de kleur was verwelkt en al het schoon vervlogen.
Terwijl REBECCA voor de kinderen twee kommen thee en een grooten schotel met bruin brood en boter had neergezet begon het goede gezelschap van “Krijgsman’s welvaren” toebereidselen tot vertrekken te maken en voor de DUKE en CONSTANCE hun maal hadden geëindigd sloeg REBECCA de deur toe achter den laatsten talmer.
ZEDELIJKE AALMOES.
Gij allen weet wat eene aalmoes is; maar er bestaan vele soor-ten: men geeft brood, een kleedingstuk, eenig geld; men geeft goeden raad, vermaning, troost en, waar dat noodig is, liefde-volle teregtwijzing. Het is evenzoo met onze geschenken: men geeft van zijn goud, zijn zilver, zijne stoffelijke bezittingen, en men geeft ook van zijne kennis, zijne wijsheid, zijne vriend-schap, zijne liefde, van het beste zijner ziel. Dus heeft iedereen het vermogen om te geven, de arme zoowel als de rijke, de geringe en de aanzienlijke, het nederigste schepsel en het meest verhevene. Daartoe is het voldoende die goederen te bezitten, waarover de geest alleen beschikt, omdat deze alleen eigenaar is, en die voortspruiten uit de milde bron der goedwilligheid.