De Gracieuse 1862 | Page 203

CONSTANCE CHORLEY. 195

“Hebt gij niets te eten noodig, meisje?” zei SIMON, terwijl hij na eene lange terug met zijne mouw zich den mond afdroogde.

“Als het kind thuis komt zal zij voor hen zorgen,” antwoordde moeder CATLIN barsch. Dat eenvoudige woord “kind” nu was eene groote geruststelling voor de arme CONSTANCE, want toen zij daar zoo alleen zat met die ruwe mannen en die zoo bijna ongeloofelijke leelijke oude vrouw begon zij half te gelooven dat zij een schrikkelijken droom droomde.

Daar werd de deur geopend en weder digtgeslagen, en ang- stig keerde CONSTANCE den blik naar de nieuw aangekomene. “Gij zijt lang weg geweest, kind,” sprak moeder CATLIN ge- streng, het hoofd zoo ver zij konde omdraaijende. “Gij weet dat ik er een hekel aan heb dat gij ’s avonds van huis zijt! Wat heeft u zoo opgehouden?”

Tot CONSTANCE’S verwondering volgde er hoegenaamd geen antwoord op dit verwijt; en moeder CATLIN’S kind hield zich eenigen tijd op in het duistere gedeelte van het vertrek, lei eenige pakjes uit haar voorschoot en hing hoed en doek aan den wand. Toch meende CONSTANCE sprak er uit de magere ge-daante geen vrees of wantrouwen maar alleen eene alge- heele achteloosheid voor moeder CATLIN’S stem. Weldra echter riepen hare bezigheden haar bij het vuur en nu eerst zag zij de vreemden en zagen deze haar, beschenen door den vollen gloed. Moeder CATLIN’S kind was lang, mager en hoekig. Vijftig jaren op zijn minst waren over haar hoofd gegaan, en te oordee-len naar het grijze haar, het gerimpeld voorhoofd en de scherpe bittere uitdrukking van het geheel had elk jaar haar dubbel zijne zorgen en zijn leed gebragt. Zij droeg een zwart stoffen kleed, engsluitend en van zeer verouderd fatsoen. Haar hoofd was smal en welgevormd en evenzoo elke trek van haar mager ziekelijk gelaat. Haar zilvergrijs haar, hoewel achter op het hoofd in stijven wrong ineengedraaid, behield toch nog eene golving die zeker in hare jeugd, toen dat haar glanzig was en een on-gerimpeld voorhoofd omgaf, regt schoon moest geweest zijn, onder de wisseling van schaduw en licht die zij daarstelde. Ook hare donkere, rustelooze oogen waren niet zonder vuur; en over het geheel, wat ook de tijd en een of ander knagend ver-