CONSTANCE CHORLEY. 193
niets dan oogen, overal oogen, tot het gansche vertrek zich scheen op te lossen in één reusachtig oog.
Zij sloegen een enkelen angstigen blik om zich heen en hiel-den elkander vast omklemd; en terwijl zij zoo stonden viel een vogeltje verstijfd en dood van tusschen de kleederen van het knaapje of den grond.
X.
Daar stond nu CONSTANCE te midden van dien geduchten kring van oogen, en telde de sekonden, nu eens naar het tik- ken der oude Friesche klok dan weder naar het snelle kloppen van haar hart. Wat DUKE betreft, hij had haar losgelaten en zat op den grond met het doode vogeltje in zijn schoot; en terwijl hij werktuigelijk het hangende kopje en de stijve pootjes opligtte, overzag hij de groep rond het vuur, aandachtig en nieuwsgierig nu evenzeer als bevreesd. Niemand scheen te den-ken dat het de kinderen hinderde om zoo te worden aangestaard, schoon CONSTANCE over haar gansche ligchaam trilde en beefde; want het was haar als of men al hare geheimen op die wijze bemagtigde – als of zij niets meer kon verbergen – als of dit nu het einde zijn zou van hare reis en van al hare zoo zorge- lijk doordachte plannen.
Het is niet te verwonderen dat zij, kind als zij was, te veel door schrik bevangen werd onder al die op haar gevestigde blik-ken, dan dat zij den verschillenden indruk ontdekken zou, dien hun verschijnen op het gezelschap maakte. Hoe zou zij weten dat meer dan één verhard gemoed verzacht werd door medelij-den met haar? De eerlijke smid bij voorbeeld, die op het leege vat gezeten zijne lange pijp tusschen de vingers draaide, zou er wat voor gegeven hebben om een middel uit te denken, dat de kleine zwervers op hun gemak kon brengen. Maar dit niet kunnende, vergrootte hij nog hunne verlegenheid door hen als de overigen te blijven aankijken. Een oogenblik wendde CON-STANCE de angstige zwarte oogen naar de plaats waar hij zat, maar sidderend sloeg zij ze oogenblikkelijk neder; want over SIMON’S breeden schouder heen gluurde een glaat onaangena-