De Gracieuse 1862 | Page 200

192 CONSTANCE CHORLEY.

zigtbaar gelaten dan eene vormelooze vlek van rood en blaauw.

Het meisje deinsde terug voor de heete lucht doordrongen van bier- en rhumdampen, die haar tegenkwam, toen Simon de zware deur openstiet. De helle gloed van het vuur bescheen eene vreemde en bonte vertooning – eene vertooning die de kinderen lang niet op hun gemak bragt. De eene helft van het vertrek was ingerigt voor eene soort van winkel, met eene breede toonbank – planken met bussen en oude flesschen – en de andere helft scheen te gelijk voor keuken en gelagkamer te dienen. Rond het vuur zaten tien of elf mannen, die allen dapper rookten, dapper dronken, of dapper redeneerden. Het gezelschap bestond hoofdzakelijk uit soldaten, boerenknechts en een paar klein-handelaars.

Praters, drinkers en rookers allen hielden eenparig in toen de smid met zijne vracht verscheen, de deur wijd openlatende en uitroepende –

“Heidaar, moeder CATLIN! hier zijn een paar verdoolde scha-pen, die ik op den weg van Yapton vond! Wilt gij ze tot morgen verzorgen? De knaap is halfdood van slaap.”

SIMON zette den knaap neder, en liet het tweetal alleen staan in het midden van de groep, en beiden keken onderzoekend naar de waarding van, “Krijgsman’s welvaren” die door SIMON als moeder CATLIN was toegesproken. Zij zagen bij het vuur in een hoogruggigen stoel op rollen een wezen wier uiterlijk hen waarlijk niet meer geruststelde dan het gezigt der verhitte en opgewonden mannen, en eene scherpe schrille stem zeide –

“Wie zijn die kinderen, SIMON DRUSLEY, en waar komen zij van daan?”

“Wel, mensch! dat is juist de vraag,” antwoordde de hoefsmid, terwijl hij op een leeg vat ging zitten en zijne tabak opzocht; “of, ik mag wel zeggen, dat zijn drie vragen – Wie zijn zij? waar komen zij van daan? en waar gaan zij heen?”

De kinderen beefden geweldig – niet van koude of honger, schoon beide hen kwelden – zij zagen noch het vlammende vuur noch het voedsel op de tafel – zij zagen niets dan de oogen die deze aanspraak van SIMON op hen gerigt had, –