De Gracieuse 1862 | Page 199

CONSTANCE CHORLEY. 191

“Huisvesting!” herhaalde SIMON en zag haar wantrouwend aan. “Maar hoe kwaamt gij hier zoo laat rond te zwerven? Vertel mij dat eens, meisjelief.”

Het kind antwoordde, op denzelfden toon van aanmatigend zelfvertrouwen, die SIMON zoo weinig aanstond –

“Wij hadden gerekend tijdig genoeg hier te zijn om met den wagen naar Entley te gaan, maar wij kwamen te laat, omdat wij langs de rivier een omweg hadden te maken. Daar het zoo laat is zullen wij van nacht hier blijven, als gij zoo vriendelijk wilt zijn mij te zeggen waar wij kunnen slapen.”

Nadenkend streek SIMON met de hand langs het stevige been van den knaap die hij droeg, en keek Prowler aan. Zou hij de arme schepseltjes medenemen naar zijn eigen huis en met hen doen zooals hij wenschen zou dat anderen deden, wanneer ooit zijn kleine WALTER en JENNY als deze ver van huis op vreemden grond moesten rondzwerven? Hij helde waarlijk daar- toe over. Maar nu sneed de wind zoo scherp langs de vlakte en het roode gordijn glansde zoo verwarmend over den weg!

“Komaan dan, meisje, ik geloof dat gij best zult doen met naar “Krijgsman’s welvaren” te gaan. Dat is knap volk, en zij zijn ’s morgens vroeg bij de hand, wat goed voor u is als gij met den wagen verder gaat.”

“Is het eene herberg, mijnheer?” vroeg het meisje met eenige siddering in hare stem.

“Wel, ja en neen eigenlijk,” zeide SIMON, en met groote stappen rigtte hij zich derwaarts, met den jongen op zijn arm, terwijl hij het aan het meisje overliet om te volgen. CONSTANCE luisterde gretig, maar hoorde niets verder, hetzij omdat de wind te hevig was, of wel omdat Simon hier zijne verklaring had afgebroken.

Dat “Krijgsman’s welvaren” eenmaal goede dagen gekend had was met een enkelen oogopslag te zien. Eerstens was het een groot huis – het grootste veel uren in den omtrek – en boven de deur prijkte een kolossaal uithangbord, dat kraakte en kraste bij elke windvlaag die langs de vlakte streek. Welk kunstwerk het in zijne dagen van bloei vertoond had, is on-mogelijk te zeggen, want de tijd en het weder hadden niets