De Gracieuse 1862 | Page 198

190 CONSTANCE CHORLEY.

kant vanwaar dit kwam, zag hij bij het schijnsel van enkele sterren die heenflikkerden door de donkere wolken twee kleine aan elkaar vastgeklemde gedaanten. Zij waren waarschijnlijk van het smalle voetpad afgedwaald, verward geraakt tusschen de digte braamstruiken en volgden nu welligt eene geheel ver-keerde rigting.

“Hei daar!” zei SIMON op zoo luiden en krachtigen toon, dat de kinderen er van trilden; “wel, wie zijt gij?” en Prow- ler keerde zich om en schonk zijn meester een goedkeurend geknor, en liep toen op de kinderen toe en berook hen, ter- wijl hij hen schuin aanziende ook scheen te vragen, “wel, wat, wie zijt gij?” Maar, daar deze beweging de kinderen op nieuw deed beven keerde SIMON zonder eenige pligtpleging Prowler’s neus naar eene andere zijde door een schop tegen zijn staart; en toen, nog niet overtuigd of hij wel iets anders dan lucht zou grijpen, strekte hij de hand uit naar die schaduwachtige voorwerpen. Een schouder, dien hij aanraakte was smal en hoe-kig en hij liet dien los met eene onaangename gewaarwording, maar die andere schouder vleezig en rond liet hem geen twijfel meer; en SIMON’S stem was onwillekeurig vrij wat zachter toen hij, neerbuigende zeide –

“Wel, wiens kleintjes zijt gij? Waar komt gij van daan? Wie is uwe moeder, zeg?”

SIMON nam den kleine van den grond en zette hem op den arm, terwijl hij de grootere aankeek om antwoord op zijne vragen. Het meisje poogde te spreken, maar de wind scheen haar de woorden in de keel terug te drijven want SIMON hoorde niets, en maakte uit hare verlegenheid op, dat zij stilletjes uit school was gebleven; hij schudde het hoofd terwijl hij op be-rispenden toon zeide –

“Nu, gij zult eene goede vermaning te goed hebben, kind; dien kleine zoo laat in den avond nog buitenshuis, daar zal wat opzitten?”

“Ja, het is erg koud voor hem, mijnheer, dat weet ik wel,” antwoordde het meisje met eene soort van gedwongen bedaard-heid die boven haar leeftijd was. “En als gij zoo goed zoudt willen zijn te zeggen waar wij huisvesting kunnen vinden –”