CONSTANCE CHORLEY. 189
het hem, als hij daar was, een goed deel van zijn genoegen. SIMON wist zeer goed dat als hij ’s avonds bij het sluiten zijner smidse het oog ook maar even heenwendde naar dat roode gor-dijn, dit hem zeker de verdienste kostte van den ganschen dag, hij mogt dan met of zonder zucht hebben toegegeven aan de verleiding.
Dien avond echter, terwijl hij het schootsvel oprolde om de heupen, stond SIMON stil, en krabde zich het hoofd en hield een kort gesprek met den verzoeker, dat wil zeggen, hij begon daarmede; maar weldra luisterde hij schijnbaar lijdelijk en on-partijdig naar de beslissing, die hij zou hooren van twee stem-men, waarvan eene scheen te komen van het gordijn en de andere die was van den woesten wind, die een oogenblik op zijnen togt gepoosd had om raad te houden met zijne huisvrouw.
“Kom,” zegt het gordijn, gewapend met zijn heldersten glans; “hier is zulk een lekker vuur, en HINCHLEY – die gulle oude Tom, staat rond te dienen – warm en zoet en krachtig.”
SIMON watertandde bij de voorstelling van HINCHLEY’S ede-moedigheid, en bij de gedachte aan zooveel vermaak bij zoo geringe kosten. Hij deed eene schrede naar het zegevierende gordijn; maar op datzelfde oogenblik scheen de wind uit alle hemelstreken tegelijk op hem los te trekken met verontwaar-diging; want hij snelde aan van alle zijden langs de open vlakte, en hief de doode en rottende bladen bij hoopen op en smeet hem die om de ooren met zulk een gegil en gehuil dat hij met beide handen naar zijn hoofd greep en zijn hond volgde, die reeds verscheidene sprongen gedaan had op den weg van pligt. Hij had echter nog niet meer dan twintig voetstappen gedaan, toen Prowler plotseling stilstond.
“Wat nu, Prowler; wat nu, oude jongen?” en Simon gaf den hond met zijn voet een verstaanbaren duw. Maar Prowler bleef even stijf en bewegingloos als zijn opgezette voorvader onder de glazen stolp op Jufvrouw DRUSLEY’S schenktafel; en nu ontsnapte aan zijn gesloten muil een onheilspellend gebrom. Tot SIMON’S verbazing werd dit gevolgd door den scherpen angstkreet van een kind, en, zijne oogen scherpende naar den