188 CONSTANCE CHORLEY.
Toen de jonge man terugkeerde vond hij niemand meer. In de grootste onrust, liep hij terug, meenende dat zij hem in ’t gemoet hadden willen komen en de herberg waren voorbij-gegaan. Maar hij zag geen spoor van hen.
“Wel, dat heet ik iemand ondankbaar behandelen!” pruttelde hij bij zich zelven terwijl hij de mand weder opnam. “Ondank-bare kleine heks! Waar zou zij nu zijn, had ik haar niet door dat venster gehaald? Brr! dat was een nacht!” En nadenkend keek hij naar eene groote brandwond op zijne regterhand; en om wat reden dan ook, hij dacht niet meer aan fluiten bij het vervolgen van zijn weg.
IX.
Steeds woester en kouder werden de Maartsche vlagen, steeds graauwer de avond; hoewel het nog naauwelijks negen uur was, zag men haast geen enkel licht in het dorp dan dat, hetwelk heenstraalde door het roode venstergordijn van “Krijgsman’s welvaren.” De eenzame schildwacht die voor de kazernen op en af ging zag het, en uitte een vloek bij de gedachte hoe genoe- gelijk zijne kameraden daar achter bijeen zaten.
De oude SIMON DRUSLEY zag het, toen hij zijne smidse op den hoek der straat sloot, en beredeneerde met zichzelven het vraagstuk hoe men wel het prettigst een ledig uur zou door-brengen – aan zijn eigen haard tegenover eene knorrige vrouw of wel bij het gulle gezelschap dat onder praatjes van den dag hem ginder wachtte bij het vuur van “Krijgsman’s welvaren.”
Schuin over den weg blies de scherpe Maartsche wind, en hij had dien bij het huiswaarts gaan vlak in ’t gezigt. Een steenworp ver naar den anderen kant glansde dat lokkende gordijn.
Nu had dat gordijn over SIMON DRUSLEY eene magt, waar- aan hij juist niet zoo geheel wilde toegeven, en die hij ook niet zonder schaamte zou erkend hebben. Menig goed voorne-men had hij op dat punt in stilte reeds genomen en ook in stilte weder laten varen, maar dit kostte hem immer berouw en verwijt; en, al was zulks niet krachtig genoeg om hem den weg naar “Krijgsman’s welvaren” te versperren, toch benam