CONSTANCE CHORLEY. 187
hoop of wanhoop: bewusteloos was zij neergezonken. De arme jongen was radeloos. Hij schudde haar – kuste haar – riep haar toe bij de toenemende verschikkingen van den nacht – maar zij bleef doof voor de stem die tot hiertoe immer weer-klank gevonden had tot in het diepst harer ziel.
MARMADUKE was op het punt krankzinnig te worden van angst, toen op eenigen afstand een gefluit zijn oor trof. Hij luisterde en hoorde weldra hoe een vaste, krakende stap zich voortbewoog op de maat van het vrolijke opwekkende deuntje dat gefloten werd. Eindelijk vertoonde zich de gedaante van een man die iets droeg; hij kwam nader en bleek een timmermans-gezel te zijn, met eene gereedschappen-mand op den rug.
“Och! als ’t u blieft, mijne zuster ligt hier – hier op den grond – ziek.”
“Uwe zuster! Wie zijt gij? Hoe heet gij?”
“MARMADUKE CHORLEY.”
“CHORLEY! – wat! de zoon van den boekhandelaar te Lympton?”
“Ja.”
“En dat is uwe zuster?” zei de jonge man haastig, terwijl hij bukte en CONSTANCE optilde – “het meisje dat uit den brand gered werd.”
“Ja.”
“Geef mij de mand aan – gaauw – daar is mijne theekruik, daar. Loop er mede dien kant uit, naar de herberg – ’t is niet ver van hier – en haal wat water. Of wacht, ik kan har- der loopen, en gij mogt u in den weg vergissen. Als zij bijkomt zeg dan dat er hulp komt.” Hij spoedde heen zonder iets meer te zeggen.
CONSTANCE herleefde, en het was verwonderlijk hoe spoedig al hare vermogens weder hunne gewone dienst hervatten. Toen zij vernam wat er gebeurd was, deed haar dit bitter leed.
“Hij kent ons – hij zal ons vasthouden. O, DUKE, beste DUKE, doe nu uw best om vlug te loopen! Wij moeten ons weg maken voor hij terugkomt. Daar achter ons is nog een weg, die regtsaf loopt, en ik weet door mijne kaart, dat er een of twee mijlen verder een dorp ligt. Kom, beste DUKE, kom!”