De Gracieuse 1862 | Page 194

186 CONSTANCE CHORLEY.

soort van laan met bladerlooze boomen, werd zij opgeschrikt door het geluid van tallooze ritselende voetstappen, die de hoogte opsnelden om haar daarna langs het pad te volgen; maar spoe- dig bemerkte zij dat dit gedruisch veroorzaakt werd door de hier en ginds verspreide doode bladeren der hazelaars. Zwaar- der en zwaarder werd het gewigt van den knaap die, hoewel schijnbaar loopende, grootendeels opgehouden werd door CON-STANCE’S om hem geen geslagen arm. Hij scheen meer dood dan levend van koude en uitputting en slaap, en sprak alleen als eene of andere schrik hem plotseling tot bewustzijn scheen te brengen, zooals toen zij, den heuvel achter zich latende, regts en links hooge muren kregen, die zich in zonderlinge krommingen uitstrekten, en waarover boomen zich heenbogen wier schaduwen den weg nog donkerder en doodscher maakten. Juist toen hoorde MARMADUKE in de nabijheid het gebas van groote wachthonden; en hij deinsde achteruit halfdood van schrik, vast overtuigd dat zij daar nu kwamen om hen te dooden.

Maar CONSTANCE bemerkende dat het geluid niet nader kwam, deed hem inzien, dat het even gevaarlijk voor hen zijn zou om te keeren of voort te gaan, en hij gaf toe; en weldra lette zij op dat het pad hen verwijderde van de plaats, waar de hon- den zoo heftig blaften. Dan, andermaal deed een nieuw bezwaar hen stilstaan; de knaap verklaarde als versufd dat hij niet ver- der gaan kon maar rusten moest en slapen. CONSTANCE herin- nerde zich nu wat zij eenmaal gelezen had in reisbeschrijvingen uit Noordelijke streken, hoe gevaarlijk het was aan den slaap toe te geven; en hoewel zij de omstandigheden wel niet zoo geheel dezelfde achtte, toch boezemde de herinnering haar nieuwe vrees in voor den kleinen broeder en wapende haar met een nieuw besluit om zijn verlangen te bestrijken. Zij zeide –

“O; dat verbeeldt gij u maar! kom, ik zal u een eindje dra- gen, dan zult gij weêr eens loopen, en dan zal ik u weêr dra- gen. Dat zal veel hebben van een spelletje.”

En de kleine moedige gedaante torschte hem en droeg hem voort, al was het dan ook onder aanhoudend hijgen. Toen zij hem neerzette, voelde zij iets vreemds in het hoofd, en, een oogenblik later voelde zij geen vermoeidheid meer of leed, geen