De Gracieuse 1862 | Page 193

CONSTANCE CHORLEY.

VIII.

De avond breidde zijne schaduwen uit. Onze arme reizigers, strompelen voort aan elkaar vastgeklemd buiten staat langer te praten, boven alle beschrijving vermoeid naar ligchaam en geest, niet meer denkende aan vader of moeder, aan verleden of toe- komst, maar alleen aan al het tegenwoordige lijden en verdriet. Wanneer zal deze lange dagreis volbragt zijn? Wanneer zullen zij die koude niet meer voelen, wanneer rusten kunnen en sla- pen? Maar, schoon zwijgend, is toch CONSTANCE niet hopeloos; gedurig spreekt zij den kleine moed in, al is zij ook zelve op het punt te bezwijken onder die vreeselijke vermoeidheid. Tel- kens luistert zij naar elk voorbijgaan geluid, scherpt het oog voor elk voorwerp dat nadert en meet stap voor stap den waar-schijnlijken afstand dien zij nog vóór zich hebben. Eens staat zij verschrikt stil; zij ziet binnen eene kleine omheinde verhe-venheid ter zijde van den weg voorwerpen die schijnen vooruit te komen, één voor één, juist zoo als zij gehoord had dat de moordzieke Indianen doen op hunne nachtelijke togten. Zij stonden stil als zij stilstond; maar na een oogenblik stilgestaan en scherp toegezien te hebben, ontdekte zij dat het in bossen gebonden staken waren, met kleine tusschenruimten schuin te- gen elkaar gezet. Hopstaken waren haar tot hiertoe onbekend. Toen weder, terwijl zij langs een heuvel trokken door eene