De Gracieuse 1862 | Page 190

182 DE MAAND JANUARIJ.

dat door ijverige gebeden alle ramp zou worden afgewend. En inderdaad, ATTILA deed Parijs niet aan, maar trok regtstreeks uit Champagne naar Orléans. Later voer zij gedurende eenen te Parijs plaats hebbende hongersnood de Seine op en af en bragt twaalf schepen met koren mede, dat zij aan de armen uitdeelde. Met haar moet niet verward worden eene andere Genoveva, de gemalin van Palts-graaf SIEGFRIED, die in de achtste eeuw leefde. Bekend is hare aandoenlijke ge-schiedenis. Op beschuldiging van den haar vijandigen GOLO, hofmeester van haren gemaal, werd zij wegens misdadigen omgang met een ander ter dood veroordeeld. De bediende echter, die belast was met de uitvoering van het vonnis, liet haar uit medelijden ontvlugten. Jaren lang leefde zij in een hol in het Ardennenwoud van kruiden, terwijl haar zoontje door eene ree werd gezoogd. Eindelijk vond haar gemaal haar op eenen jagttogt. Hij werd overtuigd van hare onschuld en nam haar weder tot zich. Deze geschiedenis wordt verhaald in een der beste volks-boeken uit de middeleeuwen en in eenen uitmuntenden roman: Ridder GOLO, of onschuld en misdaad.

Doch – om van deze laatste uitweiding terug te keeren – mijne jeugdige vriendinnen! vormt er u vooral geen verkeerd denkbeeld van, als men u eene vroegtijdige godsvrucht aanbeveelt. Waant niet, dat zij zou bestaan in de droomen eener opgewondene verbeelding, of in een hangend hoofd, of in volslagene on-geschiktheid voor de bezigheden, uitspanningen, aandoeningen des dagelijkschen levens. Dat is jammerlijke misvorming van godsdienst, die daarin bestaat dat gij uwe pligten vervult uit liefde tot God uwen Heer en de menschen. Want toch niet, mijne vriendinnen, dat godsdienst hetzelfde zij als dweeperij. Dat was het geval met ANTOINETTE BOURIGNON, die den 14den Januarij 1616 te Rijssel geboren werd. Onderscheidde zij zich van hare kindsche jaren af door eene bui-tengewone leelijkheid van gelaat – iets verschikkelijks voor een jong meisje! – zij meende in een leven, dat naar hare bekrompen begrippen godsdienstig heette: vergoeding te vinden voor de teleurstellingen, op welke zij bij eene zoo mis-vormde gestalte meende te kunnen rekenen. Reeds als kind waande zij allerlei gezigten te zien en achtte zij zich tot eene geheele hervorming van het Christen-dom geroepen. Op haar twintigste jaar ontvlood zij een huwelijk – stil, leze-ressen! zij was gansch niet onbemiddeld – in manskleederen. Na verschillende lotwisselingen kwam zij ook in ons vaderland, te Amsterdam, waar zij een ge-deelte van hare zonderlinge schriften liet drukken en hare woning het middelpunt was van allerlei godsdienstige vereenigingen, zoo van gemoedelijke vromen als van dwaze dweepers. Met de politie in min aangename aanraking gekomen – waar-schijnlijk over godsdienstbegrippen – redde zij zich wederom door de vlugt, en wij vinden haar later op een eiland, Nordstrand, nabij de Holsteinsche kust, waar zij eene eigene drukkerij vestigde tot verspreiding harer talrijke schriften, die wel een levendig godsdienstig gevoel ademen, maar met dat al van eenen allerzonderlingsten, ten deele onverstaanbaren inhoud zijn. Later bragt zij eenigen tijd te Hamburg door, en nog later treffen wij haar aan op eene reis naar de