DE MAAND JANUARIJ. 181
weet die vooruit te berekenen, en indien er nu eenig verhaal bestond tusschen gebeurtenissen in de menschelijke maatschappij en waarnemingen aan den sterren-hemel, – dan zou het den mensch gegeven zijn in het duistere boek der toe- komst te lezen – en dat boek wordt, gelijk wij u hierboven deden opmerken, door eene wijze en goede Voorzienigheid voor den mensch gesloten gehouden. Die Oostersche wijzen dan ook zochten met al hun wijsheid zamenhang tusschen twee zaken, die geen de minste betrekking op elkander hadden, namelijk: een buiten-gewoon verschijnsel aan den sterrenhemel, en de geboorte van een buitengewoon persoon in Palestina, een doorluchtigheid, bestemd tot heerschappijvoerder over de Joden. Dat zij bij het zien van dat hemelverschijnsel aan de geboorte van zoo iemand bepaald bij de Joden dachten, kan ons op hun standpunt in geenen deele verwonderen. De Joden waren destijds door geheel het Oosten verspreid, en daar- door was hunne verwachting van den goddelijken heilaanbrenger, in die dagen verwacht, algemeen, ook buitenslands bekend geworden. En dat wel met zulke levendige voorstellingen aangaande de uitgebreide magt en onovertroffen heerlijk- heid van dien vorst, dat het allezins natuurlijk was, zulke aanzienlijke en voor-name Magiërs de reis naar Palestina te zien doen om dien jonggeboren vorst te huldigen. Wij merken die hulde aan als de eerste, die aan onzen toen pasgeboren Zaligmaker gebragt werd door de heidenwereld; en van die zijde is dat eenvou-dige, maar roerend schoone verhaal ook voor ons belangrijk, wier voorvaderen mede eenmaal tot de heidenwereld behoorden. Heil ons, heil vooral ook uw ge-slacht, lieve lezeressen, dat wij tot de Christenwereld behooren; want het Chris-tendom heeft de vrouw geplaatst op een heerlijk standpunt, waarop zij zich dan ook buiten het Christendom niet beroemen mag. Want de vrouw is slavin overal waar het Christendom niet bekend is. Haren tegenwoordigen maatschappelijken toestand heeft zij alleen aan het Christendom te danken.
Diep moeten daarvan wel zij doordrongen zijn geweest, die met vrouwelijke kloekheid, welke menigmalen mannenmoed beschaamde, lijden, martelingen en dood hebben ondergaan voor hare belijdenis van het Evangelie. Onder deze behoort ook zekere AGNES of AGNETA, welker nagedachtenis door de R. C. kerk op den 21sten, door de Grieksche op den 14den Januarij en den 5den Julij wordt gevierd. Hare geschiedenis is in de bijzonderheden zeer onzeker en wordt door verschil-lende schrijvers verschillend verhaald. Indien het waar is, dat zij reeds als een meisje van 13 jaren den dood onderging omdat zij zich als vrome Christin niet aan eenen heidenschen jongman wilde verbinden, legde zij eenen geloofsmoed aan den dag, allerzeldzaamst op dien teederen leeftijd. Maar dan is zij ook een aan-schouwelijk beeld van hetgeen buitendien eene nimmer genoeg herinnerde waarheid is, dat vroegtijdige godsdienst inzonderheid ook de jeugdige maagd versiert.
Een ander beeld daarvan levert GENOVEVA, wier herinnering den 5den Ja-nuarij invalt, omdat zij op dien dag in het jaar 512 zou overleden zijn. Volgens de kerkelijke overlevering stelde zij, toen geheel Parijs vol schrik den alverwoes-tenden Hunnenkoning ATTILA te gemoet zag, allen gerust door de verzekering,