DE MAAND JANUARIJ.
Wees welkom, eerste maand van het ingetreden jaar! Wees welkom nieuwe jaarkring, dien wij begroeten! Wat gij verborgen houdt, weten wij niet; wij zouden het ook niet willen weten, want het is eene wijze en goede Voorzienig-heid die het voor ons bedekt houdt zelfs wat het volgend uur ons brengen zal. ’t Zou ons genot berooven van alle bekoorlijkheid en het gewigt onze tegenspoe-den verduizendvoudigen, als het lag uitgespreid voor onzen blik wat het inge-treden jaar ons zal brengen aan lief en aan leed. Maar onrust en vreeze zouden ons ook beangstigen bij het intreden van eenen nieuwe jaarkring, als wij niet beter wisten of ons leven en lot ware in de hand van een blind toeval. Neen! de blijmoedigheid waarmeê wij het jaar begroeten, zij rust op ons geloof in Hem, die altijd en bij alles liefde voor zijne kinderen is. Waarde lezeressen! zoo Gods liefde is ook over u, hebt Hem dan ook in dit jaar lief bovenal en uwen naaste als u zelve. Dan bereidt hij u ware levensvreugde; dan zult gij aan het einde van het nu ingetreden jaar met kalmte en zelfvoldoening kunnen terugzien op den afgelegden weg, gelijk gij dien nu met blijmoedig vertrouwen intreedt. Ont-vangt allen ook van den schrijver dezer regelen de beste wenschen voor uw wezenlijk geluk in het jaar dat voor ons ligt.
Gaarne wil ik u ook dit jaar trachten behulpzaam te zijn in het opzamelen van eenige herinneringen en opmerkingen, met de maand in verband staande. Ook ditmaal moeten we aan het hoekje van den haard, althans binnenshuis blij-ven, want het weder laat niet toe om het buitenleven te genieten en bloemen of vruchten gade te slaan. Doch zien we in den kerklijken almanak, dan valt ons oog in deze eerste maan des jaars op een paar dagen, voor welke we een oogenblik uwe aandacht vragen.
De eerste is de 6de Januarij: “Drie koningen.” Gij weet dat men daardoor verstaat die aanzienlijke vreemdelingen, welke dan jonggeboren Heiland kwamen begroeten met geschenken. Omdat die geschenken in het Bijbelsch verhaal ver-meld worden te hebben bestaan in drie kostbaarheden: goud, wierook en myr-rhe, heeft de overlevering hun getal op drie opgegeven, schoon hiervoor ove-rigens geen grond is. Nog minder over de meening dat het koningen waren; want het waren “Wijzen,” zegt het verhaal, en wij hebben daarbij te denken aan personen, die in het Oosten tot een der hoogste standen in de maatschappij behoorden, namelijk den eigenlijk geleerden stand, die de genees- en sterrekunde, benevens nog andere wetenschappen beoefenden, en Magiërs genoemad werden. De sterrekunde van dien tijd bepaalde zich voor een groot gedeelte tot het voor-spellen van merkwaardige gebeurtenissen uit den stand van den sterrenhemel. Onze meer opgeklaarde begrippen zeggen ons, dat dit alles dwaasheid is. De tegenwoordige wetenschap is naauwkeurig bekend met de oorzaken b. v. van de zon- en maaneklipsen en alle andere verschijnselen aan den sterrenhemel. Men