DE MAAND JANUARIJ. 183
Nederlanden. Op die reis overleed zij te Franeker den 30sten October 1680. ANTOINETTE BOURIGNON behoort onder die geschiedkundige figuren, welke nog altijd eene zuivere voorstelling wachten, vrij van allen invloed uit godsdienst-begrippen voortspruitende.
NIEUWE BOEKEN.
Schoon wij bij het lezen der apotheose van FLORENCE NIGHTINGALE in de “Hist. Vrouwen” juist niet alle beäamden, b. v. haar niet met den dichter de keurbloem van Engelands vrouwen konden noemen, noch ook kunnen gelooven dat op den grond der REIGERSBERGEN en SUZANNAAS VAN OOSTDIJK de engel-sche Krimheldin bij gelijke omstandigheden navolgsters zou vinden (de Holland-sche vrouwen en meisjes zijn niet zoo excentrisch en zoeken liever haren werk-kring in eigen huis of stad althans in enger sfeer dan Miss N.) toch is er veel wat wij in haar bewonderen, veel wat wij van haar moeten leeren.
Met oneindig meer regt dan dat bij zeer veel werken tegenwoordig het geval is werden hare “Notes on Nursing” in verscheidene talen overgebragt; wij verwijzen om dit te staven naar de voorrede die professor SCHNEEVOOGT vóór de Hollandsche vertaling plaatste en waarin het boek vooral aan huismoeders ter lezing wordt aanbevolen. Nu komt onze Gracieuse wel meest in de handen van wie nog geene huismoeders zijn; maar zoo af en toe eens eenige bladzijden te lezen zal, meenen wij, aan degelijke jonge dames niet mishagen daar de stijl zoo regt onder-houdend is, en zeker geven zij toe dat er veel in de “Ziekenverpleging” voor- komt wat haar nuttig en noodig is te weten.
Iets nieuws van gansch anderen aard komt ons nu in de hand: Souvenir, poëzij voor Hollands schoonen, door L. VAN DEN BROEK. Nu dat is ook regt goed; want, niet waar? er is groote verscheidenheid van gaven en diens-volgens ook van behoeften; daarbij, degelijke kost en versnapering moeten afge-wisseld worden – la variété dese mets fait manger. Regt lieve versjes lazen wij in het nette rood gebonden boekje: “Rijke armoede,” “Oogstlied,” “Wiegelied van eene weduwe,” “Het schemer-uur;” maar, lieve lezeressen, oor-deelt zelve; het werkje is niet misplaatst in de kleine bibliotheek, die gij toch zeker zoo langzamerhand aanlegt. “Geen schat,” zegt WHITLOCK, “heeft grooter waarde dan een verzameling goede boeken,”