De Gracieuse 1862 | Page 186

DE OCHTENDTAAK.

Onze gedachten vóór den slaap, of wanneer wij des nachts wakker worden, zijn meestal herinneringen van de zaken, die wij gevoeld hebben. Des morgens zijn alle droomen heengevlugt. “De nacht is zwart, de dag is wit” zeggen de Spanjaarden. Des avonds ziet het verstand, even als het oog, minder juist en minder ver dan bij daglicht: dat is dus geen tijd tot naden- ken. Die tijd is de morgen. Want de morgenstond is de jeugd van den dag; alles is dan frisscher, lagchender, ligter; wij ge-voelen ons sterker, lustiger; onze vermogens zijn meer ons eigendom. Verkort dien kostbaren tijd niet door laat opstaan, of door onwaardige bezigheden en beuzelachtige gesprekken; het is de quintessence van het leven. De avond daarentegen is de ouderdom van den dag. SCHOPENHAUER.

UITSTEL.

Één uurtje nog – och moeder, toe,

Ik heb geen slaap, ik ben niet moe

Neen, stuur mij niet zoo vroeg naar bed;

Één jaartje nog – o, goede dood:

’k Vlei willig dan me in ’s aardrijks schoot;

Maar nu: ’k heb veel nog te verrigten

En kracht en lust ook voor die pligten.

Wel is de zomerglans voorbij,

Wel heerscht het gure jaargetij:

Maar toch – de herfst heeft ook zijn schoon

Hoe schaars het groen ook in zijn kroon;

Een poosje nog – en ’k leg mijn staf

Vrijwillig nevens mij in ’t graf.