De Gracieuse 1862 | Page 169

DE BANKNOOT. 161

“Des te beter voor u,” antwoordde de doctor glimlagchende; “uw bezoek doet mij in allen gevalle veel genoegen, wat er dan ook de reden van moge zijn.”

“Ik zal u die reden zeggen. Sedert eenigen tijd heb ik er over gedacht om eene onderwijzeres voor mijn dochtertje op te zoeken; zij is nu vijf jaren oud. Een toeval heeft mij in eene soort van kennis gebragt met die jufrouw SIMON. Naar voor-komen en alles schijnt het mij toe, dat dit meisje zeer geschikt zou zijn voor mijne kleine JEANNE, en daar gij de SIMONS kent, wilde ik, alvorens nadere stappen te doen, u verzoeken om op-regte inlichtingen aangaande de zedelijkheid, de denkwijze en de bekwaamheid der dochter. Zijn deze van zoodanigen aard dat ik als vader haar mijn dochtertje kan toevertrouwen?”

“Ik kan u in weinige woorden daaromtrent zegen wat ik weet,” zeide de doctor. “Ik behoor tot dezulken, wien men het verwijt toeduwt dat zij op den penning zijn, omdat ik geen minachting heb voor dien magtigen hefboom, zonder welken alle groote ondernemingen bijkans onmogelijk zijn. En toch – schoon juffer JULIËTTE niets bezit – zou ik mij zeer gelukkig ach-ten, indien een mijner zonen mij haar als schoondochter aanbood, haar, de doodarm is; haar, die ik eerst sedert drie maanden ken.”

“Zeer verpligt, ik heb haar dan niet verkeerd beoordeeld.”

En nu weet men wat DEBRAY aan JULIËTTE kwam vragen, toen zij hem met haar werkboezelaar voor, had opengedaan. Hij had den doctor de waarheid wel gezegd, maar niet de geheele waarheid. Hij bezat veel meer kundigheden dan ver-eischt werden om de opvoeding zijner dochtertje geheel en al te voltooijen; en had hij uit liefde voor zijn dochtertje besloten om met haar af te dalen tot het allereerste onderwijs, dan zou hij zich zeer zeker aan de taak harer vorming niet hebben onttrok-ken wanneer hare vorderingen deze juist aangenaam zouden hebben gaan maken. Hij had er dus nooit aan gedacht zich van die voor zijn vaderlijk hart zoo aantrekkelijke bezigheid te ontslaan; doch dit denkbeeld begon bij hem op te komen, toen hem voor den geest kwam, JULIËTTE in hare omstandigheden te hulp te komen op eene wijze, die hare kieschheid niet kwet- sen kon. Maar van het oogenblik af dat dit denkbeeld zijnen