160 DE BANKNOOT.
NEGRIS hem als in een oogwenk deed raden wat kommer en zorg en ontbering er vast was aan eene lange en zware ziekte onder zulke omstandigheden. Zijne goedhartigheid werd levendig getroffen door de vermagerde wangen, de schoone maar droe-vige oogen en het zindelijke maar armoedige gewaad van het meisje. Het stond hem klaar voor den geest dat in dit eenvou- dige huisvertrek wel veel moest geleden en gestreden zijn; zou iemand die zoozeer op haar gelaat het merkteeken van goede trouw droeg, zes weken lang eenen schat onder zich houden, die hij zoo duidelijk gevoelde, dat daar een zware, een aller-pijnlijkste last geweest was.
Vol verlangen om zijne gissingen bewaarheid te zien, ver-voegde hij zich bij den huisheer met de vraag naar den huur- prijs van een kamer, die door middel van een bordje op de deur aldaar aangeboden was. Weinig moeite kostte het hem aan de praat te komen, vooral toen hij een vijffrankstuk in de hand van den huisheer liet glijden, als ten blijke dat het hem ernst was met de vraag naar de openstaande kamer. DEBRAY vernam al wat hij weten wilde; en dit bestond hierin, dat de dames SIMON, moeder en dochter, beiden les gaven; dat hij, huisheer, wetende dat er niets voorhanden was dan de opbrengst der lessen, haar een weinig ernstig om de verschenen huur had aangemaand, hoewel hij regt moest doen aan de fatsoenlijkheid van moeder en dochter; doch dat de laatste hem terstond en tot zijne groote verbazing had betaald, zoodat hij er zelf wel een weinig beteuterd over was geweest dat hij zulke ordentelijke vrouwen min of meer onheusch over dat geld had aangesproken, vermits zij zelfs nog wel een dag te vroeg hadden betaald uit hoofde van het invallen van den zondag. Voorts vernam DEBRAY, dat zij geene meid hielden, maar alles zelve deden; dat zij zeer beschaafd waren, maar wel wat eergierig, zoodat zij nooit eenige dienst vergden, hoewel men er haar soms gaarne bewijzen zou.
Eenige dagen later vervoegde DEBRAY zich bij den doctor op het uur dat hij ongestelden te zijnent ontvind.
“Ik begin met u te zeggen heer doctor,” sprak hij bin-nentredende, “dat ik niet ziek ben en dat ik u in geenen deele over mijne gezondheid kom raadplegen.”