De Gracieuse 1862 | Page 166

158 DE BANKNOOT.

brieventas hem van die zijde in het allerminst niet gehinderd had.

Toen doctor NEGRIS dit een en ander aan JULIËTTE had me-degedeeld voegde hij er bij: “letsel heeft de man er dus in ’t geheel niet van gehad; wat u betreft is het verkeerde – zoo er iets verkeerds in is – geheel hersteld; laat ons dus geen enkel woord meer spreken over een voorval, dat ik u beveel te vergeten; verstaat gij, mijne lieve zieke?”

Inderdaad – de vergenoegdheid look weder op in het gemoed van JULIËTTE. De rozen vertoonden zich op nieuw op hare wan-gen; haar eetlust, haar slaap en de natuurlijke levendigheid van haren geest – alles keerde terug. Zelfs begon de geheele DEBRAY met zijne banknoten, en al het verdriet dat zij haar veroorzaakt hadden, langzamerhand een weinig op den achter-grond harer herinnering te geraken, toen op zekeren avond ge-scheld werd. Juist was zij bezig met het afnemen van der tafel na den maaltijd; zij deed open, zelfs zonder het witte voorschoot af te doen dat zij voor had, daar zij dacht dat het een groente-verkoopen of iets dergelijks was. Maar het was de heer DEBRAY, die zich vertoonde. Zij zag hem aan met verbazing en ongerust-heid, doch zonder in het minst onthutst te zijn of verlegen wegens de bezigheid waarin hij haar aantrof, zoodat zij ook volstrekt niet noodig vond zich op dit punt te verontschuldigen. Zij verzocht hem te gaan zitten en wachtte kennelijk dat hij haar het doel van zijn bezoek zou mededeelen.

Doch laat ons, terwijl hij bezig is met daartoe aanstalte te maken, een veertien dagen terugkeeren, om te zien hoe hij er toe gebragt is om dezen stap te doen.

Wij zeiden het reeds: de heer DEBRAY had ondervinding van de wereld en bezat een welwillend hart. Onafhankelijk door ver-mogen en maatschappelijken toestand, verdeelde hij zijnen tijd tusschen zijne lieve JEANNE en onderzoekingen, zooals ze alleen waarde kunnen hebben voor eenen rijk ontwikkelden geest; on-derzoekingen, die den mensch zelven betreffen, niet om hem hoe langer hoe meer tot verachting van den mensch en het menschelijke te brengen, maar om integendeel menschenliefde in hem te ontwikkelen, menschenliefde, zich openbarende in goedwilligheid omtrent de gebreken van anderen en zucht om