DE BANKNOOT. 157
“Hier is de brieventas, mijnheer.”
“Ik dank u zeer, mejufvrouw.”
“Geen dankens waard, mijnheer,” antwoordde JULIËTTE, sid-derende bij de mogelijkheid, dat zij tot nadere verklaringen zou moeten komen.
De vreemdeling had de verwarring en verlegenheid van het meisje niet onopgemerkt gelaten. Hij was een te naauwkeu- rig opmerker en een waarachtig menschenvriend – laat mij dit woord hier gebruiken, ofschoon het eene min of meer be-spottelijke beteekenis gekregen heeft door het misbruik dat er van gemaakt is – om niet te bemerken, dat hier achter een treurig geheim verscholen was; en hij was te edelmoedig om er zich eenige toepassing op te veroorloven, ook al ware hij daarin niet verhinderd geworden door de komst van doctor NEGRIS.
Zoodra deze binnentrad vroeg hij JULIËTTE hoe het met hare moeder ging, en vervolgens groette hij, tot groote verbazing van het meisje, den eigenaar der brieventas als een ouden be-kende, hem met veel beleefdheid vragende naar zijne dochter JEANNE. Deze was aan onzen doctor bijzonder bekend geworden, doordien hij in eene zware ziekte van dat meisje door een zij- ner kunstbroeders in consult geroepen was. Dit was wel reeds lang geleden daar het in de eerste levensjaren van JEANNE had plaats gehad; maar meermalen hadden de beide mannen elkan- der ontmoet, zo op wandelingen als in den schouwburg en elders, waardoor onder hen eene kennishouding had blijven be-staan, zooals men dikwijls in het maatschappelijke leven aantreft.
Ofschoon dus doctor NEGRIS den heer DEBRAY – zoo heette deze – slechts van tijd tot tijd zag en ontmoette, gelijk hij ook al spoedig aan JULIËTTE verhaalde, was deze echter iemand wien hij eene hooge achting toedroeg. Hij had destijds van zij-nen kunstbroeder vernomen met hoe ijverige zorgvuldigheid deze man zijne vrouw in het oppassen van het zieke kind had ter zijde gestaan, hoewel hij met haar eigenlijk niet gehuwd was uit liefde en alleen ten einde een woord van zijnen vader ge- stand te doen. Na den dood zijner echtgenoote had hij zich ge-heel gewijd aan het dochtertje, dat hij op het punt was geweest van te verliezen. Overigens was hij zeer rijk, zoodat het verlies der