MEN ZEGT.
De negentiende eeuw gelooft niet meer aan spoken, die in het geheimzinnige uur van middernacht de boeijen van het graf verbreken, en in witte lijkdoeken gehuld ronddwalen op de vroe-gere schouwplaats hunner daden, tot ontzetting en afgrijzen der levenden. Aardmannetjes, kabouters en wat dies meer zij, het gansche leger dier zonderlinge geesten is naar het fabelrijk verjaagd; de wilde jagt van Hackelberg raast alleen nog maar in den “Freischütz” op het tooneel, en toch is het menschdom nog lang niet van spoken bevrijd. Er is een spook, vreesselij- ker en verderfelijker dan allen die vroeger hun spel heetten te drijven. In de duisternis geboren, sluipt het voort bij het hel- dere daglicht, niemand heeft het ooit gezien, maar ieder zijn heilloozen invloed ondervonden. Het vergalt de argeloze vreugde der jeugd, en rooft den ouderdom zijne welverdiende rust. Ver-storend dringt het zich tusschen vrienden, brengt tweedragt tusschen minnenden, ondermijnt het geluk van echtgenooten en huisgezinnen. Het brengt het krediet van den koopman aan het wankelen, verlaagt den beambte in het oog van zijn meerdere, ja treedt scheidend op tusschen vorst en volk. Het spook is overal en nergens, en zijn naam is – Men zegt.
“Men zegt! Wie is dat schijnwezen, dat talrijker en meer verborgen bronnen heeft dan de Nijl? Waar is het, opdat ik het grijpen, vasthouden, vernielen moge?” Zoo riep reeds me- nig een in vertwijfeling uit. Vergeefsch! Zoo onmogelijk als het is de lucht te vangen, die, bezwangerd met miasmische dampen, ons dreigt te verstikken, even zoo min kan men dit verderf-zaaijende wezen magtig worden. Het is tegenwoordig, men voelt zijn werken en woelen, zijn adem knijpt de borst te zamen, drukt als een berg op onze leden; maar het is niet af te schud- den, niet te bestrijden, elke poging om dit te doen verergert slechts het kwaad. Men zegt begaat moord, diefstal, meineed, hoogverraad, maar nooit kan het der regtvaardige straf worden overgeleverd, nooit voor het gerigt getrokken, nooit tot een tweestrijd gedwongen worden. Men zegt behoort geheel tot