De Gracieuse 1862 | Page 163

MEN ZEGT. 155

die geesten die alles onwaar maken,” het strooit met milde hand zijn leugenzaad uit, en wanneer daaronder soms enkele korrels van welwillendheid en goedheid gemengd zijn, dan kun-nen die toch niet opschieten, zij moeten verstikken of wel even-zeer veranderen in giftplanten door den slechten bodem en de slechte omgeving.

Men zegt is eene geduchte magt, waarvoor alles zich buigt, waaraan ieder zijne offers brengt, en tot welks ondersteuning en versterking ieder bereidwillig bijdraagt. Men zegt heeft vrijen toegang tot iedere woning, hoort bij een aangenaam on-derhoud, wordt ontvangen en opgenomen zoo lang het zonder genade den naam van anderen aangrijpt, maar het verandert eerst in een vreesselijk spook, als het rondwoelt in ons eigen vleesch, onze dierbaarste belangen benadeelt. Wij zelven zijn er aan werkzaam om dezen hydra telkens nieuwe koppen te doen aangroeijen, en bemerken dit tot onze eigene schade eerst dan, wanneer hij zijnen staart om ons heenslingert.

Het geloof aan spoken moest wijken voor het licht der be-schaving en der wetenschap; is het spooksel men zegt door niets uit te roeijen? Ja, het kan ten onder gebragt worden; maar daartoe moeten vele voorwaarden worden vervuld. Wan-neer haat en nijd verbannen, en kleingeestige vooroordeelen opgeheven, wanneer alle harten vol zijn van warme, opregte menschenliefde, wanneer overal regt en waarheid alleen geldig zijn, dan breekt de dag der ware vrijheid aan, dan is de gou- den eeuw gekomen en dan zinkt ook het laatste afschuwelijke spook Men zegt voor goed in den nacht der vergetelheid.

De rook is dikwijls heviger dan het vuur, vooral wanneer dat vuur gevoed wordt door jong hout.

Waar lampen branden vindt men olievlekken; waar kaarsen branden valt zwartsel; de hemellichten alleen verlichten zuiver en vlekkeloos.