De Gracieuse 1862 | Page 159

CONSTANCE CHORLEY. 151

dit gedaan, of hij riep vol schrik uit terwijl hij naar den vogel keek, “CONSTANCE CONSTANCE, wat is dat?”

Het meisje wendde zich om en zag hoe de vogel een paar malen heftig rondvloog in zijne kooi, en daarna bewegingloos neêrviel. Zij schoot toe, zag nog juist hoe een donkerkleurig, slangvormig voorwerp heengleed onder de struiken en greep het korfje schichtig op uitroepende –

“Ach hemel, het is een adder!”

Toen zij zich nederzette met het korfje op hare knieën lag de vogel doodstil daarin. Zij nam hem op, terwijl DUKE in spra-kelooze angst haar met zijne groote oogen vragend aanstaarde; zij trachtte het diertje te verwarmen tusschen hare zachte han-den, maar te vergeefs; en groote tranen vulden hare oogen toen zij sprak –

“O, DUKE, hij is al dood!”

DE KATUIL.

Ten platten lande heet bijna algemeen de katuil een on-heilspellende vogel, zoo iets als een bondgenoot van den vorst der duisternis, een trawant van den satan en diensvolgens een afschuwelijk, regtaf hatelijk schepsel.

Daarover valt zelfs niet meer te redetwisten: zie toch, zal men tot u zeggen, die groote, geheel ronde oogen, omgeven door twee breede kringen, die doen denken aan de knijpbril op den krommen neus eener tooverheks; hoor die doodsche stem, gelijkende op het krassende geschreew van een boozen geest die des avonds bij het vallen der duisternis of wel des nachts bij maanlicht weerklinkt, terwijl de vogel onbewegelijk neerzit op een lijksteen of wel op zijne wollige vlerken als een schim heenglijdt door de duistere ruimte.

Ook is er geen jager die niet, als hij een katuil ziet, terstond op hem aanlegt, ’t is te vergeefs dat de arme vogel, tusschen de struiken gekropen, verblind door het licht, betooverd door het hondenoog, zich verdedigt zoo goed hij kan met bek en