De Gracieuse 1862 | Page 156

148 CONSTANCE CHORLEY.

uitgehongerden toetastten en nu weêr vertrouwden dat het in de wereld zoo kwaad niet was.

“Ik zeg maar buurvrouw,” merkte de andere vrouw aan, die dat alles had staan aankijken, ik zeg maar dat gij nu aan geen slechte tijden denkt, als gij dat een stuiver melk noemt.” Ja zie, die kinderen, arme stumperts als zij zijn, hebben daar toch geen begrip van; praat hun maar van geen slechte tijden. Geef hun wat zij noodig hebben, als het in uw vermogen is, en kunt gij dat niet, wel praatjes dienen hun nergens toe; zoo denk ik er over, buurvrouw. Gaat gij heen? nu goeden dag dan.”

De kinderen zetten nu hunnen weg voort, geheel opge- knapt door het heerlijke maal, en MARMADUKE weêr regt in zijn schik, zoodat op nieuw die toekomstige hit, die als een dichterlijk visioen hem in het hoofd zat, ook het weder begon gunstiger te worden: De wind bedaarde, de zon kwam door, en vervrolijkte hunnen togt. Zij behoefden nu niet zoo gedurig van den grooten weg af te gaan en door de velden heen of langs zijpaden dezelfde rigting op te zoeken, een voorzigtigheids-maatregel van Constance, die nog altijd vreesde te zullen ver-volgd worden; schoon zij somtijds geen ander doel had dan het ontwijken van voetgangers, die zij in de verte had zien aanko-men. Eens evenwel verzette MARMADUKE zich daartegen; zij hoorden op eenen afstand het zoo opwekkende geluid van krijgs-muziek en de knaap riep toen vol vreugde uit –

“O, CONSTANCE, daar komen de soldaten aan! laat ons die zien voorbijtrekken.” Maar CONSTANCE was onverbiddelijk, en alleen onder belofte van geen woord te zullen spreken, stond zij hem toe een kijkje te nemen door het digte struikgewas, waar zij beloofde met hem te blijven staan; het waren militiens die een marsch maakten van hunne digtbij gelegen kazernen.

Toen zij voorbij waren, haalde CONSTANCE, als door een plot-selingen aandrift tot voorzigtigheid gedreven, hare beurs voor den dag, om te zien of hun schat daar nog aanwezig was; en toen, zich herinnerende dat zij de goudstukken niet afzonderlijk had gehouden, besloot zij die in een papier te vouwen en veilig hier of daar tusschen hare kleederen te verstoppen, zoodat als de beurs eens verloren of gestolen werd, zij dan toch het goud