CONSTANCE CHORLEY. 145
ik u iets doen opmerken. Wij zullen menschen tegenkomen, en die zullen ons ondervragen, en nu zal ik u zeggen wat wij hun best antwoorden kunnen. Wij moesten zeggen dat onze ouders dood zijn, en dat wij naar eene tante gaan, die ons zal inne- men. Gij weet, DUKE, moeder is dood?”
“Ja,” zeide DUKE, met nieuwsgierige verwondering.
“Welnu, en vader is voor ons zoo goed als dood, wij zullen hem nooit wederzien; en, het moge slecht zijn zoo iets te ver-tellen, toch weet ik waarlijk niets anders. De menschen zullen denken dat wij zijn weggeloopen, en zullen ons terugbrengen als wij niet oppassen. Maar wij zullen niet teruggaan, zullen wij?”
“N – een, n – een,” antwoordde aarzelend de arme knaap.
“Zie, gij begrijpt, als vader zoo goed als dood voor ons is, dan zal God voorzeker het ons vergeven, als wij zoo spreken, zonder eenige kwade bedoeling. Gelooft gij ook niet?”
Duke keek als of hij die vraag niet anders wist te beant-woorden dan met zijn gewone toevlugt – eene wedervraag – en CONSTANCE dit begrijpende, ging voort – “Wel, DUKE, ik zal u zeggen wat wij moeten doen: wij moeten elkaar beloven nooit meer zoo lang wij leven, eene onwaarheid te spreken, zoo zal God ons ditmaal vergiffenis schenken. Ik beloof het u; en gij belooft het mij? Spoedig! zeg!”
“Ja – ja; dat doe ik.”
“Maar gij zult het stellig nakomen? O, Duke, als gij anders deedt en dan zeidet dat ik het u leerde?”
“Neen, heusch, heusch, ik zal dat nooit!”
“Gij zijt mijn beste jongen!”
En na elkander omhelsd te hebben, stonden zij op en ver-volgden hunnen togt; en nu de beschutting der haag verlatende voelden zij op nieuw den scherpen rukwind heenblazende over de vlakte die zij thans moesten oversteken.
VII.
CONSTANCE had goed geraden, toen zij onderstelde, dat zij op hunnen weg dikwijls zouden worden opgemerkt en ondervraagd. Zij antwoordde, zooals zij dat met DUKE besproken had, en