144 CONSTANCE CHORLEY.
drie- neen bijna vier pond. Is dat niet een heele rijkdom?”
“Is het genoeg om een hit te koopen? CONSTANCE, koop een hit, dan konden wij rijden en dan zou ik niet klagen over den wind noch over den verren weg. Toe, doe dat!”
En CONSTANCE zag den opgewonden kleinen verzoeker aan met eene uitdrukking zoo liefdevol, dat hij zeker dan hit zou bekomen hebben, indien liefde, zelfverloochening en vaste wil met eenige mogelijkheid het ontbrekende geld had vermogen aan te vullen; ook al had zij zich daarna ook nog de grootste ontberingen moeten getroosten. Eindelijk zeide zij met de oogen vol tranen –
“Neen, DUKE, wij kunnen daarvoor geen hit koopen – het is niet genoeg – en wij moeten het houden om van te leven tot wij bij tante komen; maar ik beloof u, gij zult een hit hebben, als ik ooit rijk genoeg wordt om er een te koopen. En nu, DUKE, laat mij u vertellen, wat ik denk te doen. Die kaart waarop gij mij zoo dikwijls ziet turen, toont mij al de plaatsen in Engeland en al de wegen, die daartusschen liggen. Zie daar is Lympton.”
“O, laat zien! laat zien!” riep de jongen toen hij den naam hoorde van hunne geboorteplaats.
“En daar, verder naar den zeekant, is Westcliff waar tante woont. Zij is eene heel lieve goede vrouw, en zij zeide mij, toen moeder stierf en zij zulk een twist met vader had, dat ik tot haar moest komen, als ik ooit een ander te huis noodig had.”
“Maar zij sprak niet van mij, CONSTANCE, deed zij wel?”
“Neen, lieveling; maar iedereen houdt van u, en gij behoeft niet ongerust te zijn. En er zijn zoo weinig menschen die, als ik – ” Wat wilde CONSTANCE zeggen? De woorden schenen op hare lippen te verstijven, en een paar minuten bleef zij sprakeloos, als trachtte zij eene groote geheimzinnigheid te peilen, zonder eenige andere hulp dan een levendig besef van hare magteloos-heid naar ligchaam, verstand en geest. Toen herstelde zij zich en zeide: “Maar kom, DUKE, wij moeten voort; het gaat mij als u – ik krijg behoefte aan eten. Alleen” – en nu sprak zij met gesmoorde stem – “alleen, vóór wij verder gaan moet