De Gracieuse 1862 | Page 151

CONSTANCE CHORLEY. 143

het geld te voorschijn, dat zijn vader hem bij hun afscheid ge-dwongen had aan te nemen, en beiden voelden bij die bereke-ning meer belangstelling dan iets anders hun tot hiertoe had kunnen geven. Beiden begrepen, in hunne verschillende ziens-wijze, van hoeveel gewigt thans die zaak voor hun was.

“Kijk, DUKE, daar is een kroon – een mooije gouden kroon – wij willen haar een kanarievogel noemen. Dat zijn vogels van groote waarde – laat ons ze eerst tellen, wacht – ja, daar is er weêr een. Dat zijn er twee om in de kooi te sluiten.” En zoo sprekende stak CONSTANCE de twee goudstukken in hare kleine versleten beurs.

“Hier is nog een kanarie, CONSTANCE.”

“Ja waarlijk, dat is zoo. Stop gij hem bij de anderen en hoor eens hoe zij zingen!”

De knaap deed het en lachte om die scherts zijner zuster.

“Ik vrees dat wij zulke geele vogels nu niet meer zullen vinden; laat ons dan nu de witte tellen – de halve kroonen en de kleinere soort.”

“En hoe zullen wij die noemen?”

“O, die zullen wij zwaluwen noemen; zij hebben witte borst-jes, zooals gij weet; en zullen wij ze laten wegvliegen?”

De knaap lachtte bij dat gesnap, vooral toen zij voortging – “ik verbeeld mij hier grootvaders en vaders en kleintjes, heele kleintjes te zien, want kijk van wat verschillende grootte er zijn!”

“O, CONSTANCE, hier is een over-grootvader!”

“Ja, ik geloof dat gij gelijk hebt. Dat zijn vijf schellingen.”

“Hoeveel is dat nu wel te zamen?”

“Wel, ik geloof dat wij nu bijna elf gulden hebben. Jongen- lief, wat worden wij rijk! En nu is de beurt aan de bruintjes – onze gewone huisvogels, en die heel nuttig zijn, al zingen zij niet veel; hoe zullen wij die noemen, DUKE?”

DUKE, keek verlegen maar vrolijk, en vroeg met een slim gezigtje –

“Ja, CONSTANCE, hoe zullen wij die noemen?”

“Wel, ik zal het u zeggen zoodra ik een boek over vogels in handen krijg, want nu weet ik het waarlijk niet te beden- ken. En nu, DUKE, let goed op! Wij hebben, alles bijeen,