De Gracieuse 1862 | Page 150

142 CONSTANCE CHORLEY.

“Ik ben zoo vermoeid, CONSTANCE.”

“Dat begrijp ik – wat hebt gij ook al ver geloopen. Ik had het niet durven denken dat gij zoo’n dapper ventje waart en zoo lang loopen kondt.”

“Ik heb zulk een honger, CONSTANCE.”

“O, hoe lekker zullen wij ontbijten als wij aan het gindsche dorp komen, niet waar? Heerlijk brood en melk! Wat zou ik willen dat het ons te gemoet kwam, gij ook niet? Maar daar dit niet zijn zal moeten wij ons maar voortreppen.”

En aangemoedigd door den onverzwakten moed zijner zuster, haar lagchend gelaat en hare levendige stem, deed de kleine nogmaals zijn best en trachtte tegen den scherpen wind op te komen, beschermd door CONSTANCE’S gedaante en ten halve ver-scholen achter den doek dien zij om hem heensloeg. Maar toen zij de haag bereikten waarvan zij had gesproken, eene zware haag, aan welks stoppelige takken nog de bruine najaars-bla-deren rondzwierden, zonk hij op den grond en begon bitter te schreijen.

“Welaan, zij zullen een oogenblik rusten. Kom nu, houd u digt tegen mij aan en wij zullen ons nederzetten vlak onder de haag. Zie, daar is een warm plaatsje; het zou mij niet verwon-deren als daar een haas of konijn den ganschen nacht gelegen had. Mij dunkt, DUKE, als wij er een vangen konden en een vuurtje aanmaken, zooals de Zigeuners doen, en het beest toe-bereidden, dat zou iets heerlijks zijn?”

MARMADUKE’S oogen glinsterden en hij keek schielijk om zich heen, maar geen kans bespeurende op zulk een romantisch voorval, hervatte hij zijn droef geschrei; maar spoedig wist CON-STANCE eene nieuwe rigting te geven aan zijne gedachten.

“Hoe zoudt gij het vinden, DUKE, als ik u eens vertelde wat wij nu zoo al verder gaan doen? Zoudt gij wel heel be- daard kunnen luisteren, en er aan niemand anders ooit een woord van zeggen?”

“O, ja; vertel maar CONSTANCE!”

“En willen wij ons geld tellen, en zien hoe rijk wij zijn? Maar, zorg dat gij goed rondkijkt of geen roovers ons bespie- den. Komaan, laat ons zien, hoeveel er is.” De knaap haalde