CONSTANCE CHORLEY. 141
hij eindelijk ter naauwernood hunne vormen meer kon onder-scheiden; hij zag nog hoe zij stilstonden en de grootste haar jurk ophief om de tranen van den kleinen weg te vegen en hoe zij hem kuste voor zij hunnen togt hervatten.
En nu stonden zij op den top van gindschen heuvel; nog een oogenblik en zij zouden voor altijd uit zijn oog verdwijnen. Wild staarden zijne oogen, als wilden zij de kracht behouden tot het onderscheiden van die kleine stippen die flaauw nog slechts afstaken tegen den blaauwen hemel. Kon het waar zijn dat zij binnen een oogenblik voor eeuwig zouden verdwijnen?
Voor eeuwig! De boomen met hunne zwellende knoppen, de vogels in hun vrolijk gehuppel tusschen de takken, de kleine beek die langs den weg vloeide, murmelend en dartelend bij den rijkdom dien de lenteregens haar bragten, het blaauwe uitspan- sel daarboven vriendelijk teruggekaatst in het heldere water aan zijn voet, alles scheen met ééne stem, zich te vereenigen in éénen zonderlingen zegekreet, Voor eeuwig! Voor eeuwig! De vrolijke lentezon zond hare stralen neder, en het was hem of de aarde tusschen hem en hen schitterend van frischheid den ver-trekkende toelacht als wilde de hemel zijn blijdschap toonen, zooals hij dat doet bij de redding eener menschenziel. Voor altijd!
O hoe wordt dat beangste hart gefolterd door duizende ver-wijten, hoe dringend zijn de geluisterde beden van zijn be-schermengel, als hij vermaant, “nog is het tijd! Red hen! Beken alles! Haal hen terug!” Zelfs in die zielesmart is het verhard tegen alles, behalve tegen het gevoel van schaamte – ontdekking – bekentenis; en zoo tuurt hij, en tuurt naar de telkens kleiner wordende stuppen en nu! zij zijn verdwenen! Voort zijn zij, het ruwe leven in! kinderen, en alleen! Voort, voort, in de wereld zoo vol moeiten en leed!
VI.
“Ik ben zoo koud, CONSTANCE.”
“Zijt gij, lieveling? De wind is ook zoo scherp. Het zal zoo erg niet zijn als wij bij de digte haag komen, daar voor ons.”