138 CONSTANCE CHORLEY.
wilde hij zeggen “meent gij het dan heusch dat ik gaan moet?” en hief toen een heerlijk gezang aan.
De twee kinderen zagen eerst elkander toen den vogel aan, barstten uit in tranen en zetten zich zwijgend neder op den steen.
“CONSTANCE, wat moeten wij met hem doen,” vroeg einde- lijk de knaap met gebroken stem.
“Laat hem bij ons blijven tot hij lust heeft weg te gaan, antwoordde CONSTANCE, opstaande en hare hand uitstekende.
“Kom, DUKE, wij moeten verder gaan, of wij zullen de groote plaats niet bereiken, waar wij, zoo als ik u zeide, van avond moeten rusten.”
Zij waren opgestaan en hadden naauwelijks eenige schreden gedaan, toen zij eene heesche stem achter zich hoorden roepen, en beiden stonden stil, bevend en aan elkander vastgeklemd.
Het meisje keek rond: zij zag iemand juist de kromming van den weg bereiken en hare knieën knikten; maar op vasten toon toch zeide zij.
“DUKE, het is vader, schrei niet – wees een man! Herin- ner u al wat ik gezegd heb.”
Nog een oogenblik en de heer CHORLEY stond voor hen. Het zweet druppelde neder langs zijn gelaat, zijn fijne lakensche rok was met stof overdekt, en een oogenblik was hij sprakeloos van vermoeidheid en drift. Nu barstte hij uit –
“CONSTANCE – wat – beteekent dit?”
“Ik zeide u dat in den brief, vader!”
“Maar DUKE. . . . .”
“Moet ook gaan, vader.”
“Waarom?”
“Moet ik u dat zeggen, vader, in zijne tegenwoordigheid?”
“Goede God!” zeide de verbaasde man, “is dat mijne docht?”
Maar hij werd te toornig dan dat hij had kunnen toegeven aan eenig nadenken.
Zij had klaarblijkelijk besloten den knaap met zich te nemen; dan knaap dien hij zoo liefhad en verafgoodde – den lieveling voor wien hij zooveel had gewaagd – zijn oogappel. Bah! het was belagchelijk! maar niettemin was het maar al te waar. Daar