De Gracieuse 1862 | Page 145

C O N S T A N C E C H O R L E Y .

V.

Twee kinderen stapten met vermoeide schreden voort op den grooten weg. De zon was zoo even doorgebroken en de ligte vlokkige wolkjes maakten plaats voor een hemel van het heer- lijkste zachtste blaauw. Het gras langs den weg was nog verstijfd onder half bevrozen daauwdruppels en het zachte koeltje van den der kleine voetgangers, terwijl zij daar hand aan hand voorttraden en rondstaarden en de nieuwe wereld die zich voor hen opdeed.

“CONSTANCE, mogen wij rusten als wij aan gindschen steen komen?”

“Ja, lieveling, en dan laten wij den vink vliegen.”

Zij wandelden voort en spraken geen woord meer voor zij den steen bereikten. Daar namen zij den vogel uit het mandje en streelden en kusten hem met bevende lippen.

“’t Zal mij benieuwen welken weg hij neemt,” zeide de knaap, terwijl hij op den steen stond en het beestje op den vinger omhoog hield.

Eerst schudde het alleen de veertjes als om die te vullen met frissche lucht, en bleef rustig zitten, vrolijk rondziende over de groene velden. De knaap schudde de hand; de vogel vloog even een paar keeren rond, streek toen weer neder op den uitgestrekten vinger, keek de kinderen vragend aan, als