De Gracieuse 1862 | Page 141

DE MAAND DECEMBER. 133

De geschenken hangen aan een kersboom met linten en strikken versierd; kaarsjes branden tusschen de takken, en aan die takken ziet men de geschenken als zoo-veel vruchten. Die geschenken heeten door het Christus-kindje gebragt te zijn, en met alle achting voor den waardigen bisschop NICOLAAS, moet ik ook zeggen, dat er wel een diepe zin in ligt, dat Hij, dien wij aanmerken als den brenger van hooger zegen, ook aan kinderen wordt voorgesteld als brenger van vrolijkheid en heil.

Voegt er bij den Thomasdag. ’t Schijnt hier en daar te verouderen, dat op dien dag (21 December) de knapen de schooldeur versperren eer de meester komt en hem niet inlaten eer hij vakantie belooft, ’t zij voor dien dag, ’t zij, waar men zijne eischen wat hooger spant, tot na Nieuwjaar. Op ’t gevaar af van een hoofdschudden als de ernstige onderwijzer of onderwijzeres deze bladzijde onder de oogen krijgt, moet ik toch zeggen, dat ik mij best kan begrijpen hoe jolig de jongens – en misschien ook wel de meisjes! – het vinden, voor die ééne maal in het jaar eens. . . . . doch ’t is niet om de baas te spelen over meester of meesteres; ’t is eenvoudig om een vacantietje, dat de kerkelijke feestdagen hun van zelf verschaffen!

Er komt nog een kinderdag in December, die echter alleen in sommige ge-deelten van ons vaderland wordt gevierd: de allerkinderen-, of onnoozele-kinderen-dag. ’t Is de 28ste December, waarop onze Roomsch-Catholieke mede-christenen de gedachtenis vieren van de slagtoffers in den kindermoord op last van HERODES te Bethlehem. Er zijn streken, waar zich de kinderen op dien dag zonderling toetakelen in een vest, een rok, een hoed, een paar laarzen van vader of vol-wassen broeder, de meisjes desgelijks plunderend de garde-robe van mama of oudere zuster. En ge begrijpt dat dat “groote-menschen” kleed ook “groote-menschen” regten medebrengt; dat wil zeggen, dat de jonge jeugd dan eene soort van heerschappij uitoefent over het programma van het middagmaal. Nu, ’t is dan ook slechts één dag in het jaar! De schrijver dezer regelen is nog al in-schikkelijk op die dingen, en de geëerde lezeres late zich met een enkel woord opmerkzaam maken op het heerlijke dichtstuk van eene vaderlandsche dichteres, SARA MARIA VAN DER WILP, over wie wel eens nader, den kindermoord te Bethlehem ten onderwerp hebbende. Mogen we het laatste couplet overschrijven? De dichteres heeft gezegd, dat de moorddadige aanslag van HERODES niet baatte, omdat het kind JEZUS aan zijnen bloeddorst ontkwam; maar dat dit kind ook niet gevaarlijk was voor zijnen troon, – en nu vervolgt zij met deze heerlijke wending:

Wat wenteling de rijken om moog’ keeren,

Die koning zal van eeuw tot eeuw regeren;

Zelfs dan, wanneer de zon de zilvren maan

Haar heldren glans zal weigren meer te leenen,

De dagtoorts zelve in rook zal zijn verdwenen,

Zal ’t bloeijend rijk van dezen vorst bestaan.