132 DE MAAND DECEMBER.
tigen om het ons te doen bedenken. Wat scheen het jaar lang te zullen zijn toen het aanving; en nu wij de laatste maand intrekken, is het niet voorbijgegaan, maar voorbijgevolgen. Dat zegt gij nu reeds, mijne waardsten, maar gelooft mij, ge zult het nog veel meer zeggen naarmate gij in leeftijd vooruitgaat! ’k Herinner mij nog levendig, dat ik niet gelooven kon wat bejaarde menschen daaromtrent zeiden, dat de tijd hoe langer zoo sneller voortvliegt en de jaren hoe langer zoo korter worden – en nu ondervind ik het zelf, met ieder jaar meer. Gelukkig die zijn tijd zoo besteedt, dat hij met eenig welgevallen, en althans zonder pij-nigend zelfverwijt, kan terugzien op den afgelegen weg!
Vele en belangrijk zijn de herinneringen der Decembermaan, allereerst uit een christelijk oogpunt. ’t Is in deze maand dat de geboorte des Heilands her-dacht wordt. Wie zou daarin geen belang stellen? De 25ste December is meer dan een herinneringsdag, dat eenmaal de Zaligmaker geboren is; ’t tevens, en dit vooral, eene zich telkens vernieuwende aankondiging, dat de Christus komt, als op nieuw komt; daarom heeten ook de weken voor die feestviering de Advent (de komst). Maar vraagt ge mij nu of het met de geschiedkundige waarheid over-eenkomt, dat men den 25sten December viert als herinneringsdag der geboorte van JEZUS, dan moet ik daarop antwoorden, dat de bepaling van den tijd, waarop de Christenheid het Kers-, dat is: Christus-feest viert, zich van deze zijde niet laat regtvaardigen. Mijne geëerde lezeressen zouden voorzeker weinig behagen scheppen in de tijdrekenkundige geleerdheid, die ik zou moeten uitstallen om haar op de hoogte te brengen, dat wel het gedeelte des jaars, waarin JEZUS geboren is, niet met zekerheid kan bepaald worden, maar dat wij het althans vrij zeker niet in December, eer dan nog in September, te zoeken hebben. Maar haar gevoel zal er waarschijnlijk met mij eenen diepen zin in vinden, dat men de herinnering van het opgaan van “het licht van der wereld” opzettelijk heeft ge- plaatst in dien tijd des jaars, waarin de dagen, zij het aanvankelijk onmerkbaar, weder beginnen te lengen.
Voorts bedient het onze opmerking, dat December, ook aan de hand van kerkelijke herinneringsdagen, bij uitstek de maand is van kindervreugd. Gij denkt bij dat woord zeker het allereerst aan den 6den dezer maand, den St. Nikolaasdag, dag van geschenken, van boekjes bezien, plaatjes bewonderen, geschenken uit-pakken, winkels aangapen en borstplaat snoepen. Geniet dat goede, vrolijke jeugd; maar gij die het uwen kleinen vrienden en vriendinnen of broeders en zusters helpt bereiden – och! denkt ook eens aan de arme kinderen, die niets hebben en toch ook een kinderziel bezitten, vatbaar voor kindergenot, dat zij te hooger waarderen naarmate zij minder verwend zijn. Een kinderhand is spoedig gevuld, zegt het spreekwoord, en wij voegen er bij: vooral de hand van een kind, dat zoo weinig gewoon is. Dat is dan ook wel niet de slechtste herinnering van “NICOLAAS,” den bisschop van Myra, die zijn voortdurend leven in de herinnering der nakomelingschap eigenlijk aan zijne weldadigheid jegens de armen te danken heeft. In Duitschland is het Kersfeest de vreugdedag voor de jeugd.