De Gracieuse 1862 | Page 129

DE GESCHIEDENIS VAN EEN EKSTER. 121

den onderzoek, en tusschen de bladen, tusschen twee bladzijden, den vorigen dag met zorg beschreven, vonden wij . . . wat? . . . kalfsvleesch, een schijfje kalfsvleesch dat de ekster doortusschen had gewerkt na het eerst in de keuken te hebben gestolen. Deze laatste misdaad scheen ons onvergeeflijk en regtvaardigde een onherroepelijk vonnis tegen MARGOT: wij gaven hem aan buren, die misschien niet met even veel geduld als wij de kwaadwillig-heid zullen verduurd hebben van dien gevleeschden kwelduivel. In waarheid men kon dat vreemde schepsel niet zien met zijn langen neus en spottenden blik, den kop tusschen de schouders gedrukt en gedoscht in zijn somber doodengewaad, zonder on-willekeurig te denken aan eene oude tooverheks, eene boosaar-dige toovergodin, en men behoefde waarlijk niet heel bijgeloo-vig te zijn om te gelooven dat een helsche geest in hem zijn intrek had genomen.

PRUIKEN EN PRUIKMAKERS.

Onder LODEWIJK XV was de pruikmaker een man van gewigt. Het was zijne kunst die aan iedereen zijne plaats in de wereld scheen aan te wijzen: de een onderscheidde zich van den ander door de pruik; adel, geestelijkheid, burgerij, zooveel verschil-lende standen als er waren, zooveel verschillende pruiken had men ook. Doch de pruikmaker zorgde niet slechts voor het hoofd alleen; hij was ook barbier, bezorgde baden, in een woord was de factotum van het toilet, de dienaar der gratiën en der schoonheid, met privilegie van den koning.

“De schoonheid die wij aan ons haar gegeven hebben, zegt een pruikmaker der achttiende eeuw, is eene zeldzame schoon- heid: weinig menschen, vooral de mannen, hebben haar dat de noodige voorwaarden bezit om schoon geheeten te mogen wor-den. Die voorwaarden zijn dat het tamelijk digt en zwaar is, helder kastanjebruin van kleur of fraai zilverachtig blond, en zoo lang is dat het ten minste tot halverwege den rug komt. Verder moet het haar, zonder gekroesd te zijn, toch uit