120 DE GESCHIEDENIS VAN EEN EKSTER.
voorbeeld om zijne lastigheid buiten het venster zette, dan had men dit nog naauwelijks gesloten, of de ekster was langs den trap de kamer weêr binnengestapt. Waren wij in den tuin aan het zaaijen, dan haalde hij achter onzen rug al het zaad den grond uit; zag hij ons gereed om te enten, dan verdween ons entmes zoodra wij dat een oogenblik uit de hand legden, was het enten geschied, dan was zijn eerste werk de wol te gaan losplukken en alles in de war te brengen. Gingen de kin-deren spelen voor het huis dadelijk was hij er bij; vermaakten zij zich dan met het maken van aard- of zandheuveltjes, met een enkelen stoot van zijn snavel zakte het eene voor het an- dere na inéén, en dit geschiedde zoo behendig dat hij nooit op heeter daad betrapt werd; om zijn slag te slaan wachtte hij het oogenblik af, dat men naar een anderen kant keek; wilden zij de looden soldaten in slagorde scharen, ook dit mislukte: het leger werd telkens in wanorde gebragt en deerlijk gehavend door een’ onvermijdelijken vijand en geene wraakneming was moge-lijk, geen schop of vuistslag trof immer doel. Nog een van de ondeugende streken van onzen ekster was, in de staart van den hond te pikken, als deze in de zon lag te slapen; en ligtte de eerlijke MEDOR, zoo onaangenaam opgeschrikt, den kop op om te zien vanwaar die onbeschaamde uitdaging kwam, dan nam de vogel het voorkomen aan van de zuiverste onschuld geheel ge-schikt om alle verdenking af te weren; vervolgens keerde hij zich om en verwijderde zich, om eenige minuten later het spel te hervatten. Eenmaal dit stelsel van aanhoudende plagerijen en streken aangenomen hebbende maakte MARGOT snelle vorderin-gen; eerst lastig, werd hij dra onuitstaanbaar; elken dag was het een nieuw misdrijf. Om niet te spreken van weggekaapte brillen, verstopte scharen, verdwenen potlooden, willen wij er- ger wandaden opsommen. Als had hij geraden, dat de schrijf- tafel met onze boeken en papieren in ons oog een voor allen onschendbaar heiligdom was, nam hij juist deze tot doelwit van zijne trouwelooze streken. Eens verzon hij het om met zijn bek in den inktkoker te duiken, zoodat de schrijftafel, en alles wat daarop lag, afschuwelijk met inkt was bevlekt. Een andermaal meenden wij, dat men aan onze papieren had geraakt; wij de-