De Gracieuse 1862 | Page 127

AAN EEN JONG MEISJE. 119

neer gij de ondervinding zult verkregen hebben die u nog ont-breekt, dan zult gij ontdekken dat het te gelijkertijd hoogst nuttig was; gij zult met genoegen bemerken dat gij, bijna zonder het te weten, eene veel voortreffelijker vrouw zijt ge-worden, dan de meeste die men in de wereld ontmoet, en daarom niet alleen meer geëerd, maar hooger geschat, beter bemind, meer gezocht; omdat, meisjelief, de ware beminnelijkheid niet wordt gevonden, in de vormen maar in het verstand en vooral in het hart.

Naar A. DE TOCQUEVILLE.

GESCHIEDENIS VAN EEN EKSTER.

Op zekeren dag bragt men ons een ekster, zoo pas uit het nest gehaald. Om hem het leven te redden, bragten wij het beest groot, wat juist niet moeijelijk was: hij opende den san- vel, hield ons zijn wijd keelgat voor, en wij wierpen daarin, wat ons voor de hand kwam, brood, vleesch, heele kersen, en al hadden wij hem daarvan alleen pit en steel gegeven, hij zou ze hebben aangenomen, en het middel gevonden om er zich mede te voeden. Naarmate hij grooter werd, werd hij ook ge-meenzamer; hij huppelde ons te gemoet, zoodra hij ons, op wat afstand ook, in den tuin bemerkte; hij volgde ons door alle lanen, kwam naast ons zitten op den bank, of wel op de spor- ten of de leuning van onzen stoel. Toen hij volwassen was, zijn fraaijen staart had gekregen met groen en blaauwen weêrschijn, op zichzelven wel even lang als geheel zijn verder ligchaam, en zijne vleugels waren uitgekomen, maakte hij daarvan gaan ge-bruik om weg te gaan, hoewel hij nooit in eene kooi werd ge-sloten en dag en nacht zijne vrijheid had in den tuin. Uit eigen verkiezen bleef hij onze makker en huisgenoot; zonder het te zien zouden wij nooit geloofd hebben, dat een ekster zoo tam kon worden en zooveel slimheid toonen. Ongelukkigerwijze ontaardde die slimheid van MARGOT in kwaadwilligheid en zijne guiterijen waren lang niet altijd vermakelijk. Als men hem bij