BIJ EEN KIND.
Wat rust het in zin wiegje zacht;
O zie wat lagchend wezen,
Als sprak ’t: “Gods englen houden wacht,
Wat heb ik den te vreezen?”
En van haar zetel half verrezen,
Door d’aanblik van haar kind bekoord,
Is moeders beê tot God gerezen.
Bleef zulk een bede ooit onverhoord?
Neen, trouwe waakster, sluit vrij ’t oog;
Weet, voor het lieve kind
Zorgt liefdevol steeds van omhoog
Hij, die de kleinen mint.
Zijn woord is waarheid – liefde en trouw
Bestuurt al wat Hij doet;
En wen Hij vreugd verkeert in rouw
Waar’ alles rust – waakt God!
Sluit rustig dan het wiegekleed;
Geen zorgen voor zijn lot; –
Uw’ lieveling, moeder, dreigt geen leed;
Waar alles rust – waakt God!
J. . . .
AAN EEN JONG MEISJE.
Denk steeds aan anderen meer dan aan uzelve; wil beminne-lijk en voorkomend zijn meer nog dan dit te schijnen; blijf vóór alles en boven alles eenvoudig, opregt, belangeloos en natuur-lijk; wees alzoo omdat gij oordeelt dat het goed is, en, wan-