116 DE ZES MAALTIJDEN EN HET
De tweede te tien uur, bestaande uit boterhammen met spek, bier of brandewijn.
Op den middag et men eijerkoek en melkpap, en houdt ver-volgens een middagslaapje van een uur lang.
Na die siesta drinkt men koffij.
Te vijf uur ’s avonds eet men boterhammen met spek, zoo als ’s morgens te tien uur.
Eindelijk ’ avonds te acht uur komen er aardappelen, vleesch en pap ter tafel.
Nu, zal men zeggen, dat volk is waarlijk niet te beklagen wat het ligchaam aangaat; maar wat den geest betreft die zal wel stomp blijven! Lach er om zooveel gij wilt, maar God gave dat er in ons land, zooveel als in Denemarken, aan de ont-wikkeling van het verstand gedaan werd.
In alle dorpen van Denemarken zijn scholen – nu, is ons land ook, zegt gij. Ja wel, maar de kinderen van de deensche boeren zijn verpligt ter school te gaan. Die verpligting wordt door de openbare meening goedgekeurd. De ontwetendheid ver-armt den mensch zedelijk en stoffelijk, en brengt de geheele maatschappij in gevaar: hij die zijnen kinderen onderrigt ont-houdt, is tevens een slecht vader en een slecht burger. Al zijn beiden even goed en even braaf, een ontwetend man is toch altijd minder waard dan een man die iets geleerd heeft. Alle Denen kunnen lezen en schrijven, en zij maken wel gebruik van die twee kostelijke hefboomen voor elken verstandelijken en zedelijken vooruitgang: zij kennen de geschiedenis van hun va-derland, en daardoor verstaan zij de overleveringen en de lessen die zij geeft, en zijn veel minder dan andere volken geneigd om aan staatkundige hartstogten toe te geven. Zij kennen de aardrijkskunde, en ten gevolge daarvan kunnen hun verstand en hunnen verbeelding de aarde doorloopen, en kan hun hart deel-nemen in het lot van al hunne medemenschen. Zij weten ge- noeg van de rekenkunde om orde te houden in hunne ontvang-sten en uitgaven, en om te koopen en te verkoopen zonder groote misslagen te begaan. Zij bezitten, eindelijk, kennis en wetenschap genoeg om bewondering te gevoelen voor de schoon-heden van het heelal, en dankbaar te zijn aan God die het schiep.