De Gracieuse 1862 | Page 118

110 CONSTANCE CHORLEY.

eens naar het vuur zien. Zij lei haar pak op den vloermat ne- der en opende de deur der zijkamer. Hoe vrolijk en gezellig zag er nu dat nieuwe vertrek uit, met het nieuwe vloerkleed en de schilderijen en die luchtige neteldoeksche gordijnen, waar-achter het kooitje van den vlasvink half verscholen was! De kat, die behagelijk voor het vuur lag uitgestrekt, sprong bij haar binnentreden, luid snorrend op, en de vlasvink gewekt door het opflikkerende haarvuur sprong van zijn stokje, rekte traag de vlerkjes uit en floot als ten groet een paar kwijnende noten.

Alles sprak zoo welsprekend tot dat bevende kleine hart van de gemakken, de genoegens, den vrede van het ouderlijke huis – dat het niet langer zijn leed vermogt te dragen maar uitbarstte in snikken; en het vermoeide ligchaam zonk neder op den grond, het matte hoofd leunend op een stoel en de drooge pijnlijke oogen konden niet langer de tranen terughouden, die nu talloos neêrvloeiden langs de bleeke wangen. Arm kind! Zij had ge-meend zij zou bij haar vertrek niets betreuren, door niets be-treurd worden; en zie, terwijl zij hare kleine bezitting bijeen-pakte en hare laatste huisselijke pligten volbragt, daar stuitte zij telkens op een of ander voorwerp, dat op hare liefde een beroep deed en het afscheid haar bitter maakte!

Maar niet lang gaf zij aan dit alles toe, zij zette zich op den stoel neder, veegde de oogen af, terwijl de kat, half wakend half slapend, met een verwonderden en half ernstigen blik van haar naar het lekkere vuurtje keek, als oordeelde zij dat de smart van het kind zoo die niet uit eigenzinnigheid voortkwam, ten minste wel onverklaarbaar mogt heeten.

“Poesje!” zeide het kind, terwijl zij het beest met hartelijk- heid streelde, “ik weet het wel, gij zoudt liever van honger omkomen en allerlei mishandelingen verduren, voor dat gij weg-liept, en dat zou ik ook. Maar weet gij nog wel, poesje, toen de kinderen van het groote huis uw kleintje plaagden, hoe gij het ’s avonds opnaamt en bij mij bragt? Ja, wij moeten meer aan het weerlooze schepsel denken dan aan ons zelven, niet waar, poesje?”

Waaraan dacht nu het meisje? Weder wischte zij de oogen