CONSTANCE CHORLEY. 109
derd. Even als zaadplanten in de tropische landen, die in onge-looflijk korten tijd tot vollen wasdom komen onder den stijgen-den gloed der zon, en den voedenden regen of daauw, zoo waren bij haar verstand en wilskracht ontwikkeld gedurende de smar-telijke vuurproef die zij had doorstaan. En dat wist zij nu – nu zij er toe genoodzaakt werd zichzelve te beoordelen om te weten hoe ver hare krachten reikten. Ja, zij wist nu dat zij niet langer een kind was, maar veeleer eene vroegrijpe vrouw; en zij sloeg met verwondering een blik op het verleden, en trachtte te vergeefs haar vroeger ik te herkennen – een te breede stroom scheidde het toen en thans.
En nu was alles klaar. Zij was gereed! Gereed! – waartoe? Weder verhief zich het weerbarstige hart, en de oogen dwaal- den in wilde smart van het eene geliefde voorwerp naar het andere in de naakte sombere slaapkamer – het venster met die ééne bloempot, die zij dagelijks verzorgde, maar die niet groeide of bloeide – de prenten aan den wand – het bed waaraan hare moeder zoo dikwijls met haar geknield had om haar hare gebeden te leeren. “Waar, o waar, zou zij heden haar avond-gebed uitspreken?” En om dat angstige vragende hart te beda- ren, dat haar zooveel smart gaf, omdat het nog altijd zoo zwak en kinderachtig bleef, terwijl verder alles in haar zoo oud en lijdzaam was geworden, antwoordde, “waarom niet hier?” Zij knielde neder; maar zij waagde het niet, om als anders aan die plaats al hare aandoeningen lucht te geven; zij bad, met stijf gesloten oogen, haar gewoon avondgebed, en toen, het hoofd opbeurende, riep zij uit:
“O moeder! moeder! is mijn gedrag goed en regtvaardig? Zeg mij of ik dwaal! O, moeder, wijs gij mij den regten weg!”
Bevende stond zij op, bijna in haar kinderlijk geloof eenig vreeselijk teeken verwachtende. Maar geen teeken volgde; alleen scheen de maan door het venster kalmer en schooner dan ooit. En nu nam zij haar bundeltje onder den arm, snoot de kaars uit en sloop de donkere trappen af.
Zij was op het punt de straatdeur te openen, toen zij nog- maals aarzelde. Zij had vergeten zijne pantoffels op de vuurplaat te zetten, waar hij die gaarne vond; en dan ook, moest zij nog