De Gracieuse 1862 | Page 116

108 CONSTANCE CHORLEY.

schrevene toe, zoo gevlekt en onduidelijk als het was, en stond er mede aan de straatdeur tot de bierjongen van de buren voor-bijkwam, wien zij het overgaf om aan haar vader te bezorgen. Dat gedaan zijnde, spelde zij haar jurkje op en repte zich voort aan haar gewoon ochtendwerk. Toen zette zij zijn avondeten klaar, en bezorgde het vuur zoo, dat het eenige uren goed kon blijven. Toen alles gedaan was, nam zij hare kaars en ging naar boven. Zij spreidde een kleinen omslagdoek op haar bed uit, en begon een pak te maken van DUKE’S kleederen, die den volgen- den dag naar zijne school zouden gezonden worden, en van hare eigen armoedige bezitting. Zij bekeek haar nieuw Zondags kleedje, dat achter de deur hing, en nam het na eenige aarzeling af, vouwde het op, en lei het met bevende vingers in den doek; want zij wist dat haar vader het haar gekocht had, opdat zij er knap zou uitzien, als hij haar met zich nam naar de kerk, en zij vreesde geen regt te hebben om het tot eenig ander doel te gebruiken. Maar, dacht zij, God zou het haar vergeven – zij het zoo heel weinig andere kleederen. Toen moest er eene kens gedaan worden uit eene kleine doos, die al hare aardsche schatteven bevatte, want deze was te groot om in het pak te worden genomen. Met hoeveel genegenheid beschouwde zij de eene snuisterij na de andere! Hoe hard scheen het haar, eene enkele er van achter te laten, schoon zij wist dat dit moest! Eens, toen zij uit een hoek van de doos iets opnam, kwam een digte nevel voor hare oogen, en belette haar het te zien; maar zij wist wat het was, dat daar zoo zacht en zijdeachtig in hare hand lag – eene donkere haarvlecht – haar moeders haar – en andermaal streed het hart en bood weerstand; maar de wil luistert niet daarna en het haar wordt ijlings, schoon met groote teederheid, in den zak van hare zondagsche jurk gestoken, als ware het te heilig een voorwerp, om op gewone werkdagen met zich rond te dragen. En nu werd het pak digtgemaakt en zij had maar een gebroken spiegeltje om haar hoed op te zetten. Het kind deinsde terug toen zij daarin een paar groote ernstige oogen teruggekaatst zag, en zij keek om, want dat gelaat ge- leek meer naar dat van hare moeder dan naar het hare. Ach! toen zag – toen begreep zij – hoe zeer zij zelve was veran-